Architecten en Milieu-adviseurs
datebrief
 
Oldest known version of this page was edited on 2007-12-30 22:52:37 by bas [ ]

Wet op de Ruimtelijke Ordening - <- inhoudsopgave ->

Hoofdstuk VII. Aanlegvergunningen
Artikel 44
1.

De aanlegvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien:
a.

het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;
b.

voor het werk of de werkzaamheid een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.
2.

Aan een vergunning mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de bepalingen strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het werk of de werkzaamheid, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.
3.

Indien de vergunning betrekking heeft op een werk of werkzaamheid in een gebied dat behoort tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988 zenden burgemeester en wethouders terstond na de bekendmaking een afschrift van hun besluit aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
4.

De vergunning treedt in werking met ingang van de zevende week na de dag waarop zij is verleend.
Artikel 45
1.

Indien het werk of de werkzaamheid slechts toelaatbaar is ingevolge een voorlopige bestemming of een voorlopige gebruiksregel, stellen burgemeester en wethouders overeenkomstig hetgeen bij het bestemmingsplan omtrent de duur van de bestemming is bepaald, in de vergunning een termijn na het verstrijken waarvan het werk of de werkzaamheid moet worden verwijderd of beƫindigd of op andere wijze met het bestemmingsplan in overeenstemming moet worden gebracht. De termijn kan worden verlengd, indien en voor zover de duur van de voorlopige bestemming is verlengd.
2.

Indien de termijn is verstreken is de rechthebbende verplicht binnen twaalf weken na aanzegging van burgemeester en wethouders te zijner keuze het werk of de werkzaamheden te verwijderen of te beƫindigen of in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan.
Artikel 46
1.

Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om aanlegvergunning binnen vier weken na de dag, waarop de aanvraag ontvangen is.
2.

In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit in werking is getreden, een ontwerp-bestemmingsplan of het ontwerp voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.
3.

De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 21 is vervallen, de termijn, genoemd in artikel 25, is overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd in artikel 26, is overschreden, de termijn, genoemd in artikel 30, is overschreden, dan wel het bestemmingsplan of de herziening daarvan in werking is getreden.
4.

In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om vergunning eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de aanvraag van de vergunning een werk of werkzaamheid betreft in een gebied, behorend tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan geldt.
5.

De aanhouding, bedoeld in het vierde lid, duurt totdat een ter voldoening aan artikel 36 van de Monumentenwet 1988 vast te stellen of te herzien bestemmingsplan in werking is getreden.
6.

In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid.
7.

In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan, mits het werk of de werkzaamheid is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vergunning geen bezwaar hebben. Artikel 19a, eerste, vierde tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
8.

In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en het betreft:
a.

een werk of werkzaamheid ten aanzien waarvan artikel 17 wordt toegepast;
b.

een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid.
9.

Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening, bedoeld in het achtste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
10.

Onverminderd het zesde en zevende lid, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het vierde lid, de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet strijdt met het in voorbereiding zijnde ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht, alsmede van beschermd landschap, natuurgebied, rijksbufferzone en archeologische vindplaats strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.
11.

De in het zevende en tiende lid bedoelde verklaringen worden gelijktijdig bekendgemaakt. Artikel 19a, achtste lid, eerste volzin, is alsdan niet van toepassing. Alvorens het besluit omtrent de in het tiende lid bedoelde verklaring te nemen, horen gedeputeerde staten de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen een verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Artikel 47 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 48

Burgemeester en wethouders kunnen een aanlegvergunning intrekken:
a.

indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b.

indien binnen een in de vergunning te bepalen termijn na de dagtekening van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;
c.

indien de werkzaamheden langer dan een in de vergunning te bepalen termijn zijn gestaakt.


Wet op de Ruimtelijke Ordening - <- inhoudsopgave ->
Last Revision :
Last Editor :
Owner :


 
 

agentschap.nl

 

SIKB nieuws


 
 
Pagina gegenereerd in 1.38 seconden.