Oldest known version of this page was edited on 2007-12-30 22:50:53 by bas [ ]
Wet op de Ruimtelijke Ordening -
<- inhoudsopgave ->
Hoofdstuk Va. Projectcoördinatie
Afdeling 1. Coördinatie van besluitvorming over grote projecten van nationaal belang
Artikel 39
Een planologische kernbeslissing ten behoeve van een groot project van nationaal belang bevat een of meer concrete beleidsbeslissingen. Bij de nadere besluitvorming over zodanige projecten worden die beleidsbeslissingen in acht genomen.
Afdeling 1a. Rijksprojectenprocedure
§ 1. Algemeen
Artikel 39a
1.
Bij de wet, in een planologische kernbeslissing of, indien spoedeisende maatschappelijke belangen dit vergen, in een besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad, kan worden bepaald dat op de besluitvorming omtrent een project of een categorie van projecten van nationaal belang de procedure die is beschreven in de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling, dan wel een van die paragrafen van toepassing is. Onder projecten van nationaal belang worden verstaan projecten met een bovenlokale ruimtelijke dimensie of met bovenlokale ruimtelijke effecten. Indien de grondslag wordt gevonden in de wet of een planologische kernbeslissing wordt daarbij aangegeven welke minister optreedt als projectminister. Indien de grondslag is gelegen in een besluit van Onze Ministers wie het aangaat treedt Onze minister op als projectminister tenzij bij dat besluit uitdrukkelijk een andere minister wordt aangewezen.
2.
Indien paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is verklaard, wordt in de wet, de planologische kernbeslissing of het besluit tevens bepaald of het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld door Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad of door Onze projectminister.
3.
Een besluit van Onze Ministers wie het aangaat als bedoeld in het eerste lid, geeft een aanduiding van de betekenis en het belang van het betrokken project en bevat een globale beschrijving van de te verwachten gevolgen van het project voor het nationaal ruimtelijk beleid, van de sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor de andere bij het project betrokken belangen. Het besluit wordt toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Aan het besluit wordt geen uitvoering gegeven dan nadat de Tweede Kamer daarmee heeft ingestemd. Met het besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, wordt geacht te zijn ingestemd indien de Tweede Kamer binnen vier weken na de toezending van dat besluit geen besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan.
4.
Voorzover de uitvoering van een project waarop een wet of een besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, als bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft, in strijd zou zijn met een planologische kernbeslissing, wordt door Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, aan de Tweede Kamer mededeling gedaan van het voornemen deze planologische kernbeslissing te herzien.
§ 2. Rijksprojectbesluit
Artikel 39b
Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad dan wel Onze projectminister stelt een rijksprojectbesluit vast, dat ten minste een beschrijving bevat van:
a.
het betrokken project en de wijze waarop het zal worden uitgevoerd,
b.
de gevolgen van het project voor de bij het project betrokken belangen, en
c.
de wijze waarop de inpassing van het betrokken project zal geschieden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen, die zullen worden getroffen.
Artikel 39c
1.
Indien ten aanzien van het project het maken van een milieueffectrapport krachtens artikel 7.2 of artikel 7.4 van de Wet milieubeheer verplicht is, gaat de mededeling, bedoeld in artikel 7.12, eerste lid, of artikel 7.13, eerste lid, van die wet, vergezeld van een toelichting met betrekking tot de wijze waarop het project past binnen het in planologische kernbeslissingen vastgestelde nationale ruimtelijk beleid. Indien het project strijdig is met het vastgestelde nationale ruimtelijk beleid, dient de mededeling vergezeld te gaan van een uitgebreide motivering waarom afwijking van dit beleid gerechtvaardigd is. Voorts dient de mededeling vergezeld te gaan van een globale beschrijving van de te verwachten sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor de overige bij het project betrokken belangen.
2.
Onze projectminister draagt ervoor zorg dat bij de publicatie van de beschrijving wordt vermeld binnen welke termijn een ontwerp van het rijksprojectbesluit ter inzage zal worden gelegd. Indien de terinzagelegging niet binnen deze termijn kan geschieden, deelt Onze projectminister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de redenen mee:
a.
aan beide kamers der Staten-Generaal;
b.
in de Staatscourant.
3.
Indien ten aanzien van het project het maken van een milieueffectrapport niet verplicht is, draagt Onze projectminister ervoor zorg dat in het kader van de voorbereiding van een rijksprojectbesluit een beschrijving als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld. Het tweede lid is alsdan niet van toepassing.
Artikel 39d
1.
Op de voorbereiding van het rijksprojectbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2.
Voor zover een ontwerp van een rijksprojectbesluit als bedoeld in het eerste lid zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, kunnen zienswijzen daarop geen betrekking hebben.
Artikel 39e
Indien paragraaf 3 van deze afdeling op het project van toepassing is, kan desalniettemin in het rijksprojectbesluit worden bepaald dat in de verdere procedure ter realisering van het project van de toepassing van die paragraaf wordt afgezien, indien het nut van de toepassing naar het oordeel van de ministerraad of de projectminister niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren.
Artikel 39f
1.
Het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld binnen dertien weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.
2.
De vaststelling van het rijksprojectbesluit kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd.
3.
Artikel 39c, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 39g
Het rijksprojectbesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.
Artikel 39h
1.
Voor het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit geldt het rijksprojectbesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21. Voorzover het rijksprojectbesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 21, vierde tot en met zesde lid, niet van toepassing. Het rijksprojectbesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het gebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het rijksprojectbesluit in werking is getreden.
2.
Artikel 50 van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit.
3.
Voorzover het rijksprojectbesluit en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het rijksprojectbesluit voor de uitvoering daarvan als vrijstelling, als bedoeld in artikel 19.
4.
Voorzover een bestemmingsplan of een ander besluit voor de uitvoering van werken en werkzaamheden een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 vereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van werken en werkzaamheden ter uitvoering van het rijksprojectbesluit in het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit.
5.
Voorschriften in een leefmilieuverordening als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing blijven buiten toepassing voor de uitvoering van werken, werkzaamheden en bouwwerken en voor het gebruik van gronden en opstallen ter uitvoering van een rijksprojectbesluit, voorzover het rijksprojectbesluit en die voorschriften niet met elkaar in overeenstemming zijn.
6.
De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar nadat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan overeenkomstig dat rijksprojectbesluit vast te stellen of te herzien.
7.
Indien het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met het rijksprojectbesluit, verleent het gemeentebestuur aan degenen die inzage verlangen in dat plan tevens inzage in het rijksprojectbesluit.
§ 3. Uitvoeringsbesluiten
Artikel 39i
1.
Indien voor de uitvoering van een project een op aanvraag te nemen besluit van een bestuursorgaan is vereist, zendt het bestuursorgaan onverwijld na de ontvangst van de aanvraag een afschrift daarvan aan Onze projectminister.
2.
Met betrekking tot een verzoek om vrijstelling van een geldend bestemmingsplan krachtens artikel 19 is een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in dat artikel niet vereist.
Artikel 39j
1.
Onze projectminister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten, bedoeld in artikel 39i, eerste lid, en van de ambtshalve met het oog op de uitvoering van het project te nemen besluiten.
2.
Onze projectminister kan van de andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking.
3.
Indien voor een project of categorie van projecten, bedoeld in artikel 39a, is bepaald dat uitsluitend de procedure van paragraaf 3 van deze afdeling van toepassing is, geeft Onze projectminister bij de gecoördineerde voorbereiding, bedoeld in het eerste lid, aan op welke wijze de inpassing van het betrokken project bevorderd kan worden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen die kunnen worden getroffen.
Artikel 39k
1.
Op de voorbereiding van de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
a.
de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze projectminister, die zorg draagt voor de in artikel 3:13, eerste lid, van die wet bedoelde toezending;
b.
Onze projectminister ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten gezamenlijk toepassing kan geven aan de artikelen 3:11, eerste lid, en 3:12 van die wet;
c.
zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
d.
in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden genomen binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn;
e.
de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze projectminister.
2.
Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een projectbesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben.
3.
Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit.
Artikel 39l
1.
Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is een besluit als bedoeld in artikel 39i te nemen, niet of niet tijdig op de aanvraag beslist dan wel een beslissing neemt die naar het oordeel van Onze Minister en van Onze projectminister wijziging behoeft kunnen Onze projectminister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in het eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.
3.
Indien bij de toepassing van het eerste lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door in dat lid bedoelde ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas.
4.
Ten aanzien van de in de in artikel 39i, eerste lid, bedoelde aanvragen is Onze projectminister mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen.
Artikel 39m
De in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten worden gelijktijdig door Onze projectminister bekendgemaakt.
§ 4. Gelijktijdige toepassing paragrafen 2 en 3
Artikel 39n
Indien ten behoeve van een project de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling gelijktijdig worden toegepast, zijn op de gezamenlijke voorbereiding en bekendmaking van het rijksprojectbesluit en de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten de artikelen 39k en 39m van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Grondgebruik en grondverwerving
Artikel 39o
1.
Projecten waarop krachtens artikel 39a de paragrafen 2 en 3 dan wel een van die paragrafen van toepassing zijn, worden voor de toepasssing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbare werken van algemeen nut.
2.
Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is:
a.
kan Onze Minister in afwijking van artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:
1°.
een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting plaatsvindt;
2°.
bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen persoon;
b.
worden in afwijking van de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht gedeputeerde staten niet gehoord;
c.
geldt in plaats van artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht dat:
1°.
tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
2°.
artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is;
3°.
de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken.
Artikel 39p
De in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan geschieden nadat het rijksprojectbesluit is vastgesteld.
Artikel 39q
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet kan het vonnis van onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers worden ingeschreven dan nadat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden.
2.
In aanvulling op de artikelen 54n en 59 van de onteigeningswet is ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden.
Afdeling 2. Coördinatie van besluitvorming over projecten van bovengemeentelijk belang
Artikel 40
1.
Gedeputeerde staten kunnen burgemeester en wethouders verzoeken ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan voor zover bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een verwezenlijking van dat project in de naaste toekomst noodzakelijk is en naar het oordeel van gedeputeerde staten of van Onze Minister de besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen. In dat geval is artikel 19 niet van toepassing. Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten, onder vermelding van de redenen tot het verzoek, een beschrijving van het betrokken project en geven zij aan welke consequenties het project zal hebben voor het betreffende bestemmingsplan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het verzoek en de daarbij behorende stukken. Het verzoek geeft aan voor welk gebied het geldt en wordt vanaf het tijdstip van ontvangst voor dit gebied gelijkgesteld met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21. Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten het desbetreffend verzoek tot vrijstelling voor het betrokken project met daarbij behorende stukken. Zij doen hiervan gelijktijdig mededeling aan provinciale staten en Onze Minister door toezending van een afschrift van hun verzoek. Onze Minister heeft gelijke bevoegdheid. Hij doet gelijktijdig mededeling van zijn verzoek door toezending van een afschrift daarvan aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gedeputeerde staten.
2.
Voor zover het verzoek van gedeputeerde staten geen grondslag vindt in of redelijkerwijs voortvloeit uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord, stellen gedeputeerde staten vier weken tevoren provinciale staten in kennis van hun voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. Het verzoek kan binnen de in de eerste volzin genoemde termijn worden gedaan
a.
indien door of namens provinciale staten de wens te kennen wordt gegeven dat zij over het voornemen in het openbaar willen beraadslagen en die beraadslagingen binnen die termijn zijn beëindigd, dan wel
b.
indien binnen die termijn te kennen wordt gegeven dat van beraadslagingen wordt afgezien.
Voor zover het verzoek van Onze Minister geen grondslag vindt in een plan als bedoeld in artikel 2a, achtste lid, dan wel in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, tweede lid, stelt hij de Tweede Kamer vier weken tevoren in kennis van zijn voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing.
3.
Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na ontvangst van het verzoek met de bijbehorende aanvraag besluiten burgemeester en wethouders omtrent medewerking aan het verzoek tot het verlenen van vrijstelling.
4.
Indien burgemeester en wethouders besluiten tot medewerking aan het verzoek, is op het te nemen besluit omtrent het verzoek tot verlenen van vrijstelling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De terinzagelegging vindt plaats binnen twee weken na dagtekening van het besluit tot medewerking aan het verzoek.
5.
Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens in de Staatscourant. Afschrift van de kennisgeving wordt gezonden aan gedeputeerde staten en de inspecteur. Indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, wordt tevens een afschrift gezonden aan Onze Minister.
6.
Zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
7.
In afwijking van artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht besluiten burgemeester en wethouders omtrent het verzoek tot het verlenen van vrijstelling binnen acht weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. In afwijking van artikel 3:18, tweede lid, van die wet kunnen gedeputeerde staten of Onze Minister deze termijn op verzoek van burgemeester en wethouders eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.
8.
Indien burgemeester en wethouders niet tijdig hebben besloten omtrent medewerking als bedoeld in het derde lid, dan wel hun medewerking weigeren of, indien de termijn voor terinzagelegging wordt overschreden, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van vrijstelling. Het vierde tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
9.
Indien burgemeester en wethouders niet binnen de in het zevende lid genoemde termijn besluiten dan wel bij hun besluit ingevolge het zevende lid geen vrijstelling verlenen, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van de vrijstelling binnen vier weken na afloop van die termijn, dan wel na eerdere kennisgeving van dat besluit. Burgemeester en wethouders dragen onverwijld de desbetreffende stukken over aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister.
10.
Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit op het verzoek om vrijstelling wordt daarvan mededeling gedaan aan degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht, aan gedeputeerde staten en de inspecteur en, indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, tevens aan Onze Minister. Indien gedeputeerde staten of Onze Minister hebben besloten tot verlening van vrijstelling, handelen zij overeenkomstig, met dien verstande dat gedeputeerde staten of Onze Minister tevens mededeling doen van het besluit door toezending van een afschrift aan burgemeester en wethouders alsmede aan provinciale staten onderscheidenlijk de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Afschrift van het besluit ligt zo spoedig mogelijk voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage. Het vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 40a
Indien met toepassing van artikel 40 besloten wordt tot verlening van vrijstelling, is de gemeenteraad verplicht binnen een jaar te rekenen vanaf de dagtekening van dat besluit het bestemmingsplan dienovereenkomstig vast te stellen of te herzien. Gedeputeerde staten of Onze Minister kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.
Artikel 40b
1.
Indien de gemeenteraad niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 30, gaan gedeputeerde staten op kosten van de gemeente tot de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan over. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft de gemeenteraad tot de vaststelling of herziening bevoegd. Artikel 38, vierde lid, is van toepassing; het vijfde lid van dat artikel is van overeenkomstige toepassing.
2.
Indien de gemeenteraad niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 40a, gaan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister op kosten van de gemeente tot de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan over. De tweede volzin van het eerste lid is van toepassing. Artikel 38, vierde, onderscheidenlijk derde lid, is van toepassing; het vijfde lid van dat artikel is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 41
1.
Voor zover bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een verwezenlijking van een project in de naaste toekomst noodzakelijk is en naar het oordeel van gedeputeerde staten of van Onze Minister de besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen, kunnen gedeputeerde staten of Onze Minister aan het daartoe bevoegde orgaan van een gemeente, een waterschap, een provincie of enig ander publiekrechtelijk lichaam verzoeken enige andere beschikking dan bedoeld in artikel 40, eerste lid, inzake toestemming ten behoeve van het verwezenlijken van dat project te geven. Artikel 40 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a.
indien de desbetreffende beschikking bij of krachtens een wet is vereist en Onze Minister het verzoek heeft gedaan, ten aanzien van de betrokken beschikking overigens Onze Minister die de verantwoordelijkheid of de eerste verantwoordelijkheid heeft voor de uitvoering van de desbetreffende wet, in de plaats treedt van Onze Minister,
b.
de in artikel 40 voorgeschreven procedure, met inbegrip van de daarbij aangegeven termijnen, in de plaats treedt van de bij de desbetreffende regeling voorgeschreven procedure voor het tot stand brengen van die beschikking,
c.
ten aanzien van de inhoud van de beschikking in acht genomen wordt hetgeen daarover bij of krachtens de wet is bepaald; bepalingen, die - al dan niet krachtens de wet - bij of krachtens een regeling van een provincie, gemeente of waterschap daaromtrent zijn vastgesteld, kunnen om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten, voor zover het toepassen daarvan een onevenredige belemmering met zich zou brengen voor de verwezenlijking van het project.
2.
Indien ten behoeve van een zelfde project een of meer beschikkingen vereist zijn, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, of in het eerste lid van dit artikel, worden de aanvragen om de betrokken beschikkingen te zamen, overeenkomstig de in artikel 40 voorgeschreven procedure, behandeld.
3.
Het bestuursorgaan dat het verzoek om medewerking aan de verwezenlijking van het betrokken project heeft gedaan, kan, indien dat met het oog op de samenhang tussen de onderscheidene beschikkingen ter verwezenlijking van het project geboden is, en artikel 40, achtste of negende lid, niet wordt toegepast, aan het in eerste aanleg bevoegde orgaan een bindende aanwijzing geven ter zake van de inhoud van een zodanige beschikking. Deze aanwijzing wordt niet gegeven dan na overleg met het betrokken orgaan.
4.
Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid wordt vermeld in de beschikking ter zake waarvan zij wordt gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.
Artikel 41a [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 41b
Indien, bij de toepassing van artikel 40 of artikel 41, de beslissing omtrent enige bestuursrechtelijke toestemming als in die artikelen bedoeld, wordt genomen door een ander bestuursorgaan dan het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan, zijn de leges, die ingevolge wettelijk voorschrift verschuldigd zijn terzake van die toestemming, verschuldigd aan het bestuursorgaan dat omtrent die toestemming heeft beslist, tenzij de beslissing van dat orgaan niet afwijkt van de beslissing van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan.
Afdeling 3. Coördinatie van besluitvorming over projecten van gemeentelijk belang
Artikel 41c
1.
Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat de voorbereiding en de bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd.
2.
Bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, wordt de procedure, bedoeld in de artikelen 41d en 41e, toegepast.
Artikel 41d
1.
In de door de gemeenteraad met toepassing van artikel 41c, eerste lid, bepaalde gevallen bevorderen burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding van de krachtens dat lid aangeduide besluiten. Burgemeester en wethouders kunnen andere bestuursorganen verzoeken de medewerking te verlenen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Met het oog daarop zendt het bestuursorgaan dat bevoegd is op een aanvraag voor een dergelijk besluit te beslissen, hen onverwijld een afschrift van die aanvraag.
2.
Ten aanzien van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, derde volzin, zijn burgemeester en wethouders mede bevoegd die in te dienen bij het bevoegde bestuursorgaan.
3.
Op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in artikel 41c, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
a.
de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens wordt gedaan in de Staatscourant en langs elektronische weg;
b.
burgemeester en wethouders de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, voor verschillende onderwerpen kunnen samenvoegen in een kennisgeving die door burgemeester en wethouders wordt gedaan;
c.
de ontwerpbesluiten binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming met het betrokken bevoegd gezag te bepalen termijn worden toegezonden aan burgemeester en wethouders die zorg dragen voor de toezending, bedoeld in artikel 3:13 van die wet;
d.
zienswijzen door een ieder naar voren kunnen worden gebracht;
e.
in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden genomen binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming met het betrokken bevoegd gezag te bepalen termijn;
f.
de besluiten onverwijld worden toegezonden aan burgemeester en wethouders;
g.
burgemeester en wethouders beslissen over de toepassing van artikel 3:18, tweede lid, van die wet, en
h.
de toezending, bedoeld in artikel 3:44 van die wet, tevens geschiedt aan burgemeester en wethouders.
Artikel 41e
Burgemeester en wethouders maken de vaststelling van de op grond van artikel 41c, eerste lid, gecoördineerde besluiten gelijktijdig bekend. Zij doen mededeling van die besluiten in de Staatscourant en langs elektronische weg.
Wet op de Ruimtelijke Ordening -
<- inhoudsopgave ->
Last Editor :
Owner :