Architecten en Milieu-adviseurs
datebrief
 
Oldest known version of this page was edited on 2007-12-30 22:49:27 by bas [ ]

Wet op de Ruimtelijke Ordening - <- inhoudsopgave ->

Hoofdstuk V. Voorschriften van hoger gezag inzake gemeentelijke planologische maatregelen
Artikel 37
1.

Onze Minister kan na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van planologische maatregelen vordert, de gemeenteraad verplichten, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien.
2.

Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Hij gaat hiertoe niet eerder over dan vier weken nadat hij de Tweede Kamer der Staten-Generaal van zijn voornemen tot het geven van bedoelde aanwijzingen in kennis heeft gesteld. Het voornemen gaat vergezeld van de door gedeputeerde staten en de gemeenteraad gemaakte opmerkingen. Indien en voor zover bedoelde aanwijzingen niet gebaseerd zijn op een planologische kernbeslissing geeft Onze Minister geen uitvoering aan zijn voornemen, dan na uitdrukkelijke instemming daarmee door de Tweede Kamer. Met het voornemen wordt geacht te zijn ingestemd, indien de Tweede Kamer binnen vier weken na de inkennisstelling van het voornemen geen besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan.
3.

Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en aanwijzingen van Onze Minister, als bedoeld in het eerste en tweede lid, mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt, tegelijkertijd met de toezending van de afschriften, op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage gelegd. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in de Staatscourant geplaatst.
4.

Gedeputeerde staten kunnen na overleg met de gemeenteraad, de provinciale planologische commissie gehoord, de gemeenteraad verplichten een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien.
5.

Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met de gemeenteraad, de provinciale planologische commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voorzover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord.
6.

Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en aanwijzingen van gedeputeerde staten, als bedoeld in het vierde en vijfde lid, mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de provinciale planologische commissie en aan de inspecteur. Een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid wordt, tegelijkertijd met de toezending van de afschriften, op het provinciehuis en bij de desbetreffende gemeentesecretarie ter inzage gelegd. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in de Staatscourant geplaatst.
7.

De gemeenteraden zijn verplicht binnen een jaar na dagtekening van een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien en dat in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid.
8.

Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het bestemmingsplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen.
Artikel 38
1.

Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na de bekendmaking van een besluit als bedoeld in artikel 37, eerste of vierde lid, en van aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, van dat artikel, besluit de gemeenteraad omtrent medewerking aan de opgedragen vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders maken dit besluit onverwijld bekend.
2.

Indien de gemeenteraad
a.

de termijn genoemd in het eerste lid, voor het besluit omtrent medewerking overschrijdt,
b.

binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, besluit niet mee te werken aan de opgedragen vaststelling of herziening van het bestemmingsplan, of
c.

binnen de termijn van een jaar, genoemd in artikel 37, zevende lid, geen bestemmingsplan of herziening hiervan heeft vastgesteld in overeenstemming met de gegeven aanwijzingen,

kunnen Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten binnen een jaar na afloop van de onder a, b of c bedoelde termijn, met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van de gemeenteraad, op kosten van de gemeente overgaan tot die vaststelling of herziening.
3.

Indien Onze Minister overgaat tot de vaststelling of herziening, zijn de artikelen 21 tot en met 26, 28, zevende lid, en 31a van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a.

Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders;
b.

Onze Minister, alvorens te besluiten, de Rijksplanologische Commissie hoort.
4.

Indien gedeputeerde staten overgaan tot de vaststelling of herziening, zijn de artikelen 21 tot en met 27, 28, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, 30 en 31a, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a.

gedeputeerde staten in de plaats treden van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders;
b.

gedeputeerde staten, alvorens te besluiten, de provinciale planologische commissie horen;
c.

Onze Minister in de plaats treedt van gedeputeerde staten;
d.

Onze Minister, alvorens te besluiten, de Rijksplanologische Commissie hoort.
5.

Een planologische maatregel overeenkomstig dit artikel tot stand gekomen, wordt geacht door de gemeenteraad onder goedkeuring van gedeputeerde staten te zijn vastgesteld.
6.

Indien door Onze Minister of gedeputeerde staten niet binnen het jaar bedoeld in het tweede lid, het bestemmingsplan is vastgesteld of herzien, vervalt de desbetreffende aanwijzing.

Wet op de Ruimtelijke Ordening - <- inhoudsopgave ->
Last Revision :
Last Editor :
Owner :


 
 

agentschap.nl

 

SIKB nieuws


 
 
Pagina gegenereerd in 1.76 seconden.