Architecten en Milieu-adviseurs
datebrief
 
Sorry: You can't edit this page !
Most recent edit on 2008-01-12 00:01:51 by bas

Additions:
* het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie met een vermogen van meer dan 4 kilowatt;
  • het omzetten van thermische energie in elektrische energie;
ee) transformatorstations met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren, met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer;
ff) inrichtingen waar activiteiten of handelingen plaatsvinden als bedoeld in categorie 21 van bijlage 1 behorend bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit;
gg) academische ziekenhuizen als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, en inrichtingen die krachtens de Wet toelating zorginstellingen zijn aangewezen als instellingen voor medisch-specialistische zorg;
  • van buiten de inrichting afkomstige gebruikte drukhouders, insluitsystemen, ketels of vaten;
  • mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn vervoerd;
  • mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers die niet in de inrichting zijn geladen of gelost;
kk) zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwaterzuiveringen die zelfstandig een inrichting vormen;
  • verwijdering van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen,
  • het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd:
    1. ten hoogste 2.000 kubieke meter zand, grind en grond bij een landbouwinrichting voor zover deze stoffen bedoeld en geschikt zijn voor nuttige toepassing;
    2. ten hoogste 600 kubieke meter groenafval, afgedragen gewas of bloembollenafval bij een landbouwinrichting;
    3. ten hoogste 1.000 kubieke meter restproducten uit de land- en tuinbouw en de voedingsbereiding en –verwerking met euralcodes: 020103. 020304. 020501, 020601 en 020704, bij een landbouwinrichting bestemd om binnen de inrichting te worden gebruikt als diervoeder; en
    4. een maximale opslagoppervlakte van 6.000 vierkante meter voor afgedankte consumentenproducten bij een inrichting voor het voor hergebruik geschikt maken van deze producten voor zover deze producten vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan particulieren in Nederland;
  • het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, uitgezonderd:
    1. het opslaan van autowrakken bij inrichtingen waar onderhoud en reparatie van motorvoertuigen plaats vindt en het opslaan van maximaal 4 autowrakken in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie;
    2. het opslaan van ten hoogste 100 kubieke meter afgedankte apparatuur, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur die conform artikel 4 van die regeling zijn ingenomen bij het ter beschikking stellen van een nieuw product;
    3. een maximale opslagoppervlakte van 1.000 vierkante meter voor afgedankte apparatuur, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur bij een inrichting voor het voor hergebruik geschikt maken van deze apparatuur voor zover deze apparatuur vanuit de inrichting ter beschikking wordt gesteld aan particulieren in Nederland;
    4. ten hoogste 35 kubieke meter afvalstoffen ontstaan bij bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden of herstelwerkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft;ingenomen afgewerkte olie, bilgewater en gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen bij een inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen met een maximale opslag van 150 kubieke meter in tanks en 10.000 kilogram anders dan in tanks;
  • het overslaan van afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn met een capaciteit van meer dan 1.000 kubieke meter per jaar bij een inrichting waar geen opslag van afvalstoffen plaatsvindt;
  • het bewerken of verwerken van afvalstoffen, uitgezonderd:
    1. het als grondstof inzetten van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof of textiel voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof of textiel met een maximale capaciteit van 10.000 ton per jaar;
    2. het voor hergebruik geschikt maken van afgedankte consumentenproducten, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, en van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur voor zover de apparatuur niet wordt ontmanteld, deze producten en apparatuur vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan particulieren in Nederland en de oppervlakte voor reparatie niet groter is dan 1.000 vierkante meter;
    3. het scheiden van olie- en waterfractie van ingenomen bilgewater bij een inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen met een slibvangput en olieafscheider met een maximale nominale grootte van 20 volgens NEN-EN 858-1 en 2;het composteren van plantaardig restmateriaal bij een landbouwinrichting met een maximaal volume van 600 kubieke meter;
    4. het als diervoerder binnen de inrichting gebruiken en voor dit gebruik geschikt maken van plantaardige restproducten uit de land- en tuinbouw en uit de voedselbereiding en –verwerking met euralcodes: 020103, 020304, 020501, 020601 en 020704, bij een landbouwinrichting met een maximale capaciteit van 4.000 ton per jaar;
  • het vernietigen van afvalstoffen, waaronder mede begrepen het geheel of gedeeltelijk vernietigen van buiten de inrichting afkomstige genetisch gemodificeerde organismen als afvalstoffen of voorkomend in afvalstoffen;
  • het verbranden van afvalstoffen;
  • het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen.
  • het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater, gebracht in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
  • het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankwagens of tankcontainers en bulkcontainers;
  • het opslaan, bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib.

    Deletions:
    * het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie met een
vermogen van meer dan 4 kilowatt;
o het omzetten van thermische energie in elektrische energie;
ee) transformatorstations met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren, met
een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer;
91
ff) inrichtingen waar activiteiten of handelingen plaatsvinden als bedoeld in categorie 21 van
bijlage 1 behorend bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit;
gg) academische ziekenhuizen als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en
het wetenschappelijk onderzoek, en inrichtingen die krachtens de Wet toelating
zorginstellingen zijn aangewezen als instellingen voor medisch-specialistische zorg;
o van buiten de inrichting afkomstige gebruikte drukhouders, insluitsystemen, ketels of
vaten;
o mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke
stoffen of CMR-stoffen zijn vervoerd;
o mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers die niet in de inrichting
zijn geladen of gelost;
kk) zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwaterzuiveringen die zelfstandig een inrichting
vormen;
o verwijdering van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van
Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006
betreffende afvalstoffen,
o het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige
afvalstoffen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd:
i. ten hoogste 2.000 kubieke meter zand, grind en grond bij een
landbouwinrichting voor zover deze stoffen bedoeld en geschikt zijn voor
nuttige toepassing;
ii. ten hoogste 600 kubieke meter groenafval, afgedragen gewas of
bloembollenafval bij een landbouwinrichting;
iii. ten hoogste 1.000 kubieke meter restproducten uit de land- en tuinbouw en
de voedingsbereiding en –verwerking met euralcodes: 020103. 020304.
020501, 020601 en 020704, bij een landbouwinrichting bestemd om binnen
de inrichting te worden gebruikt als diervoeder; en
iv. een maximale opslagoppervlakte van 6.000 vierkante meter voor afgedankte
consumentenproducten bij een inrichting voor het voor hergebruik geschikt maken van deze
producten voor zover deze producten vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan
particulieren in Nederland;
o het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn,
uitgezonderd:
i. het opslaan van autowrakken bij inrichtingen waar onderhoud en reparatie
van motorvoertuigen plaats vindt en het opslaan van maximaal 4 autowrakken
in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe
aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie;
ii. het opslaan van ten hoogste 100 kubieke meter afgedankte apparatuur,
bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en
elektronische apparatuur die conform artikel 4 van die regeling zijn
ingenomen bij het ter beschikking stellen van een nieuw product;
iii. een maximale opslagoppervlakte van 1.000 vierkante meter voor afgedankte
apparatuur, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit beheer
elektrische en elektronische apparatuur bij een inrichting voor het voor
hergebruik geschikt maken van deze apparatuur voor zover deze apparatuur
vanuit de inrichting ter beschikking wordt gesteld aan particulieren in
Nederland;
iv. ten hoogste 35 kubieke meter afvalstoffen ontstaan bij
bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden of
92
herstelwerkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de
inrichting drijft;
v. ingenomen afgewerkte olie, bilgewater en gevaarlijke afvalstoffen afkomstig
van onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen bij een inrichting waar
gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen met een
maximale opslag van 150 kubieke meter in tanks en 10.000 kilogram anders
dan in tanks;
o het overslaan van afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn met een
capaciteit van meer dan 1.000 kubieke meter per jaar bij een inrichting waar geen
opslag van afvalstoffen plaatsvindt;
o het bewerken of verwerken van afvalstoffen, uitgezonderd:
i. het als grondstof inzetten van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde metaal,
hout, kunststof of textiel voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van
producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof of
textiel met een maximale capaciteit van 10.000 ton per jaar;
ii. het voor hergebruik geschikt maken van afgedankte consumentenproducten,
niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, en van afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur van particuliere huishoudens, bedoeld in artikel 1,
onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur
voor zover de apparatuur niet wordt ontmanteld, deze producten en
apparatuur vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan
particulieren in Nederland en de oppervlakte voor reparatie niet groter is dan
1.000 vierkante meter;
iii. het scheiden van olie- en waterfractie van ingenomen bilgewater bij een
inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van
pleziervaartuigen met een slibvangput en olieafscheider met een maximale
nominale grootte van 20 volgens NEN-EN 858-1 en 2;
iv. het composteren van plantaardig restmateriaal bij een landbouwinrichting met
een maximaal volume van 600 kubieke meter;
v. het als diervoerder binnen de inrichting gebruiken en voor dit gebruik geschikt
maken van plantaardige restproducten uit de land- en tuinbouw en uit de
voedselbereiding en –verwerking met euralcodes: 020103, 020304, 020501,
020601 en 020704, bij een landbouwinrichting met een maximale capaciteit
van 4.000 ton per jaar;
o het vernietigen van afvalstoffen, waaronder mede begrepen het geheel of gedeeltelijk
vernietigen van buiten de inrichting afkomstige genetisch gemodificeerde organismen
als afvalstoffen of voorkomend in afvalstoffen;
o het verbranden van afvalstoffen;
o het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen.
93
o het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater, gebracht in een voorziening voor
de inzameling en het transport van afvalwater;
o het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks,
tankwagens of tankcontainers en bulkcontainers;
o het opslaan, bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen,
niet zijnde zuiveringsslib.



Edited on 2007-11-30 20:14:35 by bas

Additions:
* Besluit glastuinbouw voor zover het een glastuinbouwbedrijf type A betreft;
  • Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen;
  • Besluit externe veiligheid inrichtingen;
  • Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer;
  • Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen;
  • Besluit LPG-tankstations milieubeheer;
  • Besluit risico’s zware ongevallen 1999;
  • Besluit verbranden afvalstoffen;
  • Besluit beheer autowrakken;
  • Regeling grenswaarde VCM-luchtemissies-PVC-inrichtingen milieubeheer;
  • Regeling grenswaarden luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer;
  • Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land;
  • waar één of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer;
  • waar een warmtekrachtinstallatie aanwezig is waarin een andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt;
  • voor het beproeven van verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het afremmen van een gezamenlijk motorisch vermogen van 1 MW of meer;
  • voor het beproeven van straalmotoren of -turbines;
  • waar een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal vermogen van meer dan 20 kilowatt waarin andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, vloeibare brandstoffen of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14.214 worden verstookt, met uitzondering van installaties voor het smeden;
  • waar sprake is van een crematorium
  • meer dan 1.500 l ammoniak in gasflessen;
  • meer dan 1.500 l ethyleenoxide in gasflessen;
  • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen in gasflessen met een andere inhoud dan ammoniak, ethyleenoxide, verstikkende, oxiderende of brandbare gassen, samengeperste lucht of koelgas;
  • propaan in meer dan twee opslagtanks;
  • propaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 13.000 liter;
  • propaan waarbij het propaan, behoudens voor het leegmaken voor verplaatsing van het reservoir, niet uitsluitend in de gasfase aan een reservoir wordt onttrokken,
  • zuurstof in één of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 100 kubieke meter;
  • andere gassen dan propaan, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof in een opslagtank; of
  • gassen, anders dan in gasflessen, gaspatronen, spuitbussen of bovengrondse opslagtanks;
  • meer dan 25 kilogram theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het wettekst Vuurwerkbesluit, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als zijnde onverpakt vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onder b, van het Vuurwerkbesluit;
  • meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onderdeel b, van het Vuurwerkbesluit;
  • meer dan 25 kilogram in beslag genomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen in een politiebureau;
  • meer dan 1 kilogram zwart kruit;
  • meer dan 50 kilogram rookzwak kruit;
  • meer dan 50 kilogram netto explosieve massa noodsignaal;
  • meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens;
  • meer dan 250.000 patronen ten behoeve van schiethamers; of
  • andere ontplofbare stoffen dan de hierboven genoemde stoffen en anders dan pyrotechnisch speelgoed;
  • vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter,
  • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks, uitgezonderd de opslag van condensaat bij een inrichting voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid,
  • gasolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter;
  • vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van meer dan 15 kubieke meter per opslagruimte;
  • vloeibare brandstoffen in een bunkerstation met een inhoud van meer dan 15 kubieke meter;
  • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen in een bunkerstation;
  • stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 10 kubieke meter; of
  • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan gassen, gasolie, afgewerkte olie of stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks, uitgezonderd ten hoogste 15 kubieke meter opslag van PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel, ten hoogste 5 kubieke meter opslag van tetrahydrothiofeen bij een inrichting waar aardgasdruk wordt gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten en ten hoogste 1,5 kubieke meter opslag van halfzware olie bij een landbouwinrichting of glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;
  • stoffen van de klasse 3, 5.1, 7 en 9 van het ADR;
  • stoffen van de klasse 4.1, verpakkingsgroep II en II en klasse 4.2 en 4.3, verpakkingsgroep I, II en III van het ADR;
  • stoffen van de klasse 5.2 van het ADR uitsluitend als LQ tot 1.000 kg;
  • stoffen van de klasse 6.2 van het ADR;
  • stoffen van de klasse 6.1 van het ADR verpakkingsgroep II en III;
  • stoffen van de klasse 6.1. verpakkingsgroep I tot 1.000 kg;
  • stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I zonder aanvullend etiket 6.1 van het ADR en verpakkingsgroep II en III
  • stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I met aanvullend etiket nummer 6.1 van het ADR tot 1.000 kilogram;
n) inrichtingen voor de opslag van gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan in verpakking, in opslagtanks van metaal of kunststof of in bunkerstations;
o) inrichtingen waar een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram aanwezig is;
  • voor het vullen van gasflessen met uitzondering van het vullen van gasflessen met propaan of butaan vanuit een gasfles van maximaal 150 liter van gasflessen met een inhoud kleiner dan 12 liter en met uitzondering van het vullen van persluchtflessen door middel van een compressor;
  • voor het vullen van spuitbussen;
  • voor het begassen of ontgassen van containers;
  • voor het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;
  • waar warmtepompen, koelinstallaties of vriesinstallaties aanwezig zijn, met een inhoud per installatie van meer dan 1.500 kilogram ammoniak of 100 kilogram propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan;
  • voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, voor zover de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 10.000 kilo Pascal bedraagt of een gasexpansieturbine aanwezig sof drukverhogende installaties aanwezig zijn of de gastoevoerleiding een grotere diameter heeft dan 20 inch;
  • voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer waar aflevering plaatsvindt met een pomp die zich onder het vloeistofniveau in de tank bevindt;
  • voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan beroepsvaartuigen;
  • voor het afleveren van vloeibare brandstoffen door een afleverzuil waar aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is tussen de afleverzuil en een woning van derden, sporthal, zwembad, winkel, hotel, restaurant, kantoorgebouw, bedrijfsgebouw, speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex, recreatieterrein, bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis, sanatorium, zwakzinnigeninrichting, gezinsvervangend tehuis, school, telefooncentrale, gebouw met vluchtleidingsapparatuur, elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object met een hoge infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse opslagtank voor brandbare, explosieve of giftige stoffen, en een plaats ten behoeve van de bewaring van gasflessen waarvan de gezamenlijke inhoud meer dan 2500 liter (waterinhoud) bedraagt van derden;
  • voor het verven van bloemen en planten;
  • waar praktijkruimten aanwezig zijn voor chemisch, natuurkundig of medisch onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;
  • waar laboratoria aanwezig zijn uitgezonderd laboratoria voor interne kwaliteitscontroles of productcontroles en laboratoria ten behoeve van huisartsen, dierenartsen, tandartsen of tandtechnici;
q) inrichtingen voor het vervaardigen of bewerken van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten en voor het opslaan van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten in opslagtanks met een gezamenlijke inhoud groter dan 150 kubieke meter;
  • het vervaardigen of bewerken van anorganische nitraathoudende kunstmeststoffen;
  • het opslaan van meststoffen behorende tot meststoffengroep 3 of meststoffengroep 4;
  • het opslaan van meer dan 50 ton meststoffen behorende tot meststoffengroep 2;
  • het bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen, uitgezonderd mengen en roeren;
  • het opslaan van meer dan 600 kubieke meter vaste meststoffen;
  • het opslaan van dunne mest waarop het Besluit mestbassins milieubeheer niet van toepassing is en voor zover het niet gaat om een landbouwinrichting;

  • het houden van honden, roofvogels of siervogels in de buitenlucht;
  • dierentuinen in de zin van artikel 1 onder a van het Dierentuinenbesluit;
  • het kweken van consumptie vis;
  • het recreatievissen of het kweken van siervis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater;
  • het kweken van ongewervelde dieren;
  • het houden van meer dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren, voor zover het niet gaat om een landbouwinrichting;
  • het verladen van landbouwhuisdieren;
  • het slachten van meer dan 20 dieren per week en het verwerken van producten die bij het slachten vrijkomen;
  • het vervaardigen of het industrieel verwerken van huiden, bont, leer of lederhalffabrikaten;
  • activiteiten, waarvoor de verboden van artikel 5 van de Destructiewet gelden;
  • het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor waarbij:
    1. de gezamenlijke nominale belasting op bovenwaarde van continu-ovens meer bedraagt dan 200 kilowatt;
      1. gebruik wordt gemaakt van een of meer andere apparaten dan continu-ovens met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt;
    2. het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen voor dieren;
    3. het vervaardigen van meel en bloem, met uitzondering van wind- en watermolens;
    4. het opslaan van ruwe cacao;
    5. het onder een permanente opstand van glas of kunststof telen van gewassen voor zover het niet gaat om een landbouwinrichting of een glastuinbouwbedrijf zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;
    6. het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt van keramische producten, bakstenen, sierstenen of bestratingsstenen, dakpannen, porselein of aardewerk;
    7. het opslaan of overslaan van steenkool en ertsen of derivaten van ertsen;
    8. het malen, roosten, pelletiseren of doen sinteren van ertsen of derivaten daarvan;
    9. het vervaardigen van cement of cementklinker en cementmortel of betonmortel;
    10. het vervaardigen van cementwaren of betonwaren met behulp van persen, triltafels of bekistingstrillers;
    11. het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt van glas of glazen voorwerpen;
    12. het vervaardigen van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol;
    13. het vervaardigen van asfalt of asfaltproducten;
    14. het vervaardigen van cokes uit steenkool;
    15. het vergassen van steenkool;
    16. het bewerken of verwerken van gesteente, afkomstig uit kolenmijnen;
    17. het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel;
    18. het bewerken van natuursteen;
    19. het winnen, breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand of grind, kalkzandsteen, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;
    20. het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen;
    21. het met warm- of koudwalsen tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
    22. het met wals- en trekinstallaties tot profielmateriaal of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
      • het met wals- of trekinstallaties produceren van metalen buizen en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
    23. het smeden van ankers of kettingen waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
    24. voor het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000 vierkante meter bedraagt;
    25. het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen, stafmaterialen of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren waar het niet in een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000 vierkante meter bedraagt;
    26. het gieten van metalen of hun legeringen;
    27. het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, indien daarbij zouten, oliën of procesgassen anders dan inerte gassen of koolzuurgas worden toegepast;
    28. het behandelen van metaaloppervlakken door schoonbranden en pyrolyse;
    29. het aanbrengen van metaallagen met cyanidehoudende baden, met een totale badinhoud van meer dan 100 liter;
    30. het vervaardigen, onderhouden, repareren, proefdraaien of reinigen van vliegtuigen;
    31. het vervaardigen of assembleren van automobielen of motoren voor automobielen met een productieoppervlak ten aanzien daarvan van 10.103 vierkante meter of meer;
    32. het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart;
    33. het vervaardigen van pleziervaartuigen;
    34. het afmeren van zeegaande veerboten;
    35. het overslaan van schip naar schip;
    36. het reinigen van tankschepen;
    37. het voor meer dan 24 uur parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;
    38. het parkeren van meer dan 3 vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;
y) inrichtingen voor het onderhouden, repareren, keuren, reinigen, verhandelen, verhuren, proefdraaien of behandelen van de oppervlakte van spoorvoertuigen of onderdelen daarvan;
  • het vervaardigen van producten van houtmeelvezels, houtwolvezels of houtvezels;
  • het vervaardigen van triplexplaten, fineerplaten, vezelplaten of spaanplaten;
  • het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of de vacuümdrukmethode;
  • het industrieel vervaardigen of verwerken van textiel, woningtextiel, textielgrondstoffen, bont, leer, vlas of producten hiervan;
  • het vervaardigen of bewerken van papierstof, papier of producten hiervan;
  • het zelfklevend maken van materialen;
  • het toepassen van de volgende drukprocessen:
    1. illustratiediepdruk;
      1. rotatieoffset;
        1. vellen-offset, met apparatuur een totaal elektromotorisch of verbrandingsmotorisch vermogen groter dan 40 kilowatt;
      2. flexodruk en verpakkingsdiepdruk;
    2. rotatiezeefdruk;
      1. zeefdruk met een emissie groter dan 10.000 kilogram vluchtige organische stoffen per jaar;
bb) inrichtingen voor schieten met vuurwapens of werpen met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen;
  • sport of recreatie die per jaar 500.000 bezoekers of meer trekken;
  • het gebruiken van gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen of –voertuigen in de open lucht;
  • het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht;
  • het in de buitenlucht beoefenen van wedstrijdsport waar permanente voorzieningen zijn voor de gelijktijdige aanwezigheid van meer dan 6.000 bezoekers;
  • het geven van muziekuitvoeringen in de buitenlucht waar tegelijk meer dan 5.000 bezoekers aanwezig kunnen zijn;
  • het paintballspel;
  • het schieten in de open lucht met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk;
  • het omzetten van windenergie in mechanische, elektrische of thermische energie, waarbij:
    1. de windturbines niet elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast;
      1. de windturbines geen horizontale draaias van de rotor hebben, of
        1. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en het dichtstbijzijnde gevoelige object kleiner is dan viermaal de ashoogte;
      2. het omzetten van hydrostatische energie in elektrische of thermische energie;
      3. het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie met een

        Deletions:
        • Besluit glastuinbouw voor zover het een glastuinbouwbedrijf type A betreft; • Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen; • Besluit externe veiligheid inrichtingen; • Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer; • Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen; • Besluit LPG-tankstations milieubeheer; • Besluit risico’s zware ongevallen 1999; • Besluit verbranden afvalstoffen; • Besluit beheer autowrakken; • Regeling grenswaarde VCM-luchtemissies-PVC-inrichtingen milieubeheer; • Regeling grenswaarden luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer; • Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land; • waar één of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer; • waar een warmtekrachtinstallatie aanwezig is waarin een andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt; • voor het beproeven van verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het afremmen van een gezamenlijk motorisch vermogen van 1 MW of meer; • voor het beproeven van straalmotoren of -turbines; • waar een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal vermogen van meer dan 20 kilowatt waarin andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, vloeibare brandstoffen of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14.214 worden verstookt, met uitzondering van installaties voor het smeden; • waar sprake is van een crematorium • meer dan 1.500 l ammoniak in gasflessen; • meer dan 1.500 l ethyleenoxide in gasflessen; • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen in gasflessen met een andere inhoud dan ammoniak, ethyleenoxide, verstikkende, oxiderende of brandbare gassen, samengeperste lucht of koelgas; • propaan in meer dan twee opslagtanks; • propaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 13.000 liter; • propaan waarbij het propaan, behoudens voor het leegmaken voor verplaatsing van het reservoir, niet uitsluitend in de gasfase aan een reservoir wordt onttrokken, • zuurstof in één of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 100 kubieke meter; • andere gassen dan propaan, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof in een opslagtank; of • gassen, anders dan in gasflessen, gaspatronen, spuitbussen of bovengrondse opslagtanks; • meer dan 25 kilogram theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het wettekst Vuurwerkbesluit, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als zijnde onverpakt vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onder b, van het Vuurwerkbesluit; • meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onderdeel b, van het Vuurwerkbesluit; • meer dan 25 kilogram in beslag genomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen in een politiebureau; • meer dan 1 kilogram zwart kruit; • meer dan 50 kilogram rookzwak kruit; • meer dan 50 kilogram netto explosieve massa noodsignaal; • meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens; • meer dan 250.000 patronen ten behoeve van schiethamers; of • andere ontplofbare stoffen dan de hierboven genoemde stoffen en anders dan pyrotechnisch speelgoed; • vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter, • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks, uitgezonderd de opslag van condensaat bij een inrichting voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, • gasolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter; • vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van meer dan 15 kubieke meter per opslagruimte; • vloeibare brandstoffen in een bunkerstation met een inhoud van meer dan 15 kubieke meter; • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen in een bunkerstation; • stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 10 kubieke meter; of • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan gassen, gasolie, afgewerkte olie of stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks, uitgezonderd ten hoogste 15 kubieke meter opslag van PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel, ten hoogste 5 kubieke meter opslag van tetrahydrothiofeen bij een inrichting waar aardgasdruk wordt gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten en ten hoogste 1,5 kubieke meter opslag van halfzware olie bij een landbouwinrichting of glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;
• stoffen van de klasse 3, 5.1, 7 en 9 van het ADR;
• stoffen van de klasse 4.1, verpakkingsgroep II en II en klasse 4.2 en 4.3,
verpakkingsgroep I, II en III van het ADR;
• stoffen van de klasse 5.2 van het ADR uitsluitend als LQ tot 1.000 kg;
• stoffen van de klasse 6.2 van het ADR;
• stoffen van de klasse 6.1 van het ADR verpakkingsgroep II en III;
• stoffen van de klasse 6.1. verpakkingsgroep I tot 1.000 kg;
• stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I zonder aanvullend etiket 6.1 van
het ADR en verpakkingsgroep II en III
• stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I met aanvullend etiket nummer
6.1 van het ADR tot 1.000 kilogram;
n) inrichtingen voor de opslag van gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan in verpakking,
in opslagtanks van metaal of kunststof of in bunkerstations;
o) inrichtingen waar een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen met
een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram aanwezig is;
• voor het vullen van gasflessen met uitzondering van het vullen van gasflessen met
propaan of butaan vanuit een gasfles van maximaal 150 liter van gasflessen met een
inhoud kleiner dan 12 liter en met uitzondering van het vullen van persluchtflessen
door middel van een compressor;
• voor het vullen van spuitbussen;
• voor het begassen of ontgassen van containers;
• voor het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;
• waar warmtepompen, koelinstallaties of vriesinstallaties aanwezig zijn, met een
inhoud per installatie van meer dan 1.500 kilogram ammoniak of 100 kilogram
propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan;
• voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, voor
zover de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 10.000 kilo Pascal bedraagt of
een gasexpansieturbine aanwezig sof drukverhogende installaties aanwezig zijn of de
gastoevoerleiding een grotere diameter heeft dan 20 inch;
• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het
wegverkeer waar aflevering plaatsvindt met een pomp die zich onder het
vloeistofniveau in de tank bevindt;
• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan beroepsvaartuigen;
• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen door een afleverzuil waar aflevering
zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is tussen de
afleverzuil en een woning van derden, sporthal, zwembad, winkel, hotel, restaurant,
kantoorgebouw, bedrijfsgebouw, speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex,
recreatieterrein, bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis, sanatorium,
zwakzinnigeninrichting, gezinsvervangend tehuis, school, telefooncentrale, gebouw
met vluchtleidingsapparatuur, elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation van de
hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object met een hoge
infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse opslagtank voor brandbare,
explosieve of giftige stoffen, en een plaats ten behoeve van de bewaring van
gasflessen waarvan de gezamenlijke inhoud meer dan 2500 liter (waterinhoud)
bedraagt van derden;
• voor het verven van bloemen en planten;
88
• waar praktijkruimten aanwezig zijn voor chemisch, natuurkundig of medisch onderwijs
waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van
toepassing is;
• waar laboratoria aanwezig zijn uitgezonderd laboratoria voor interne
kwaliteitscontroles of productcontroles en laboratoria ten behoeve van huisartsen,
dierenartsen, tandartsen of tandtechnici;
q) inrichtingen voor het vervaardigen of bewerken van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en
vetten en voor het opslaan van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten in
opslagtanks met een gezamenlijke inhoud groter dan 150 kubieke meter;
• het vervaardigen of bewerken van anorganische nitraathoudende kunstmeststoffen;
• het opslaan van meststoffen behorende tot meststoffengroep 3 of meststoffengroep 4;
• het opslaan van meer dan 50 ton meststoffen behorende tot meststoffengroep 2;
• het bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen,
uitgezonderd mengen en roeren;
• het opslaan van meer dan 600 kubieke meter vaste meststoffen;
• het opslaan van dunne mest waarop het Besluit mestbassins milieubeheer niet van
toepassing is en voor zover het niet gaat om een landbouwinrichting;
• het houden van honden, roofvogels of siervogels in de buitenlucht;
• dierentuinen in de zin van artikel 1 onder a van het Dierentuinenbesluit;
• het kweken van consumptie vis;
• het recreatievissen of het kweken van siervis in een bassin dat in contact staat met
bodem, grondwater of oppervlaktewater;
• het kweken van ongewervelde dieren;
• het houden van meer dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25
konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren, voor zover het niet gaat om een
landbouwinrichting;
• het verladen van landbouwhuisdieren;
• het slachten van meer dan 20 dieren per week en het verwerken van producten die bij
het slachten vrijkomen;
• het vervaardigen of het industrieel verwerken van huiden, bont, leer of
lederhalffabrikaten;
• activiteiten, waarvoor de verboden van artikel 5 van de Destructiewet gelden;
• het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of
grondstoffen daarvoor waarbij:
i. de gezamenlijke nominale belasting op bovenwaarde van continu-ovens meer
bedraagt dan 200 kilowatt;
ii. gebruik wordt gemaakt van een of meer andere apparaten dan continu-ovens
met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130
kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt;
• het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen voor dieren;
• het vervaardigen van meel en bloem, met uitzondering van wind- en watermolens;
• het opslaan van ruwe cacao;
• het onder een permanente opstand van glas of kunststof telen van gewassen voor
zover het niet gaat om een landbouwinrichting of een glastuinbouwbedrijf zoals
bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;
• het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele nominale belasting
op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130
kilowatt van keramische producten, bakstenen, sierstenen of bestratingsstenen,
dakpannen, porselein of aardewerk;
89
• het opslaan of overslaan van steenkool en ertsen of derivaten van ertsen;
• het malen, roosten, pelletiseren of doen sinteren van ertsen of derivaten daarvan;
• het vervaardigen van cement of cementklinker en cementmortel of betonmortel;
• het vervaardigen van cementwaren of betonwaren met behulp van persen, triltafels of
bekistingstrillers;
• het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele nominale belasting
op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130
kilowatt van glas of glazen voorwerpen;
• het vervaardigen van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol;
• het vervaardigen van asfalt of asfaltproducten;
• het vervaardigen van cokes uit steenkool;
• het vergassen van steenkool;
• het bewerken of verwerken van gesteente, afkomstig uit kolenmijnen;
• het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel;
• het bewerken van natuursteen;
• het winnen, breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand of grind,
kalkzandsteen, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;
• het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen;
• het met warm- of koudwalsen tot platen omvormen van metalen of hun legeringen,
waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, waarbij de dikte van het aangevoerde
materiaal groter is dan 1 mm en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan
meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• het met wals- en trekinstallaties tot profielmateriaal of stafmateriaal omvormen van
metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K en waar het
productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• het met wals- of trekinstallaties produceren van metalen buizen en waar het
productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• het smeden van ankers of kettingen waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan
meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• voor het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of
containers waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000
vierkante meter bedraagt;
• het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen, stafmaterialen of
buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren waar het niet in
een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlak ten aanzien daarvan meer
dan 2.000 vierkante meter bedraagt;
• het gieten van metalen of hun legeringen;
• het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het
metaaloppervlak, indien daarbij zouten, oliën of procesgassen anders dan inerte
gassen of koolzuurgas worden toegepast;
• het behandelen van metaaloppervlakken door schoonbranden en pyrolyse;
• het aanbrengen van metaallagen met cyanidehoudende baden, met een totale
badinhoud van meer dan 100 liter;
• het vervaardigen, onderhouden, repareren, proefdraaien of reinigen van vliegtuigen;
• het vervaardigen of assembleren van automobielen of motoren voor automobielen
met een productieoppervlak ten aanzien daarvan van 10.103 vierkante meter of meer;
• het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van
schepen voor de beroepsvaart;
• het vervaardigen van pleziervaartuigen;
• het afmeren van zeegaande veerboten;
• het overslaan van schip naar schip;
90
• het reinigen van tankschepen;
• het voor meer dan 24 uur parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;
• het parkeren van meer dan 3 vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;
y) inrichtingen voor het onderhouden, repareren, keuren, reinigen, verhandelen, verhuren,
proefdraaien of behandelen van de oppervlakte van spoorvoertuigen of onderdelen daarvan;
• het vervaardigen van producten van houtmeelvezels, houtwolvezels of houtvezels;
• het vervaardigen van triplexplaten, fineerplaten, vezelplaten of spaanplaten;
• het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of de
vacuümdrukmethode;
o het industrieel vervaardigen of verwerken van textiel, woningtextiel,
textielgrondstoffen, bont, leer, vlas of producten hiervan;
o het vervaardigen of bewerken van papierstof, papier of producten hiervan;
o het zelfklevend maken van materialen;
o het toepassen van de volgende drukprocessen:
i. illustratiediepdruk;
ii. rotatieoffset;
iii. vellen-offset, met apparatuur een totaal elektromotorisch of
verbrandingsmotorisch vermogen groter dan 40 kilowatt;
iv. flexodruk en verpakkingsdiepdruk;
v. rotatiezeefdruk;
vi. zeefdruk met een emissie groter dan 10.000 kilogram vluchtige organische
stoffen per jaar;
bb) inrichtingen voor schieten met vuurwapens of werpen met ontvlambare of ontplofbare
voorwerpen;
o sport of recreatie die per jaar 500.000 bezoekers of meer trekken;
o het gebruiken van gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen of –voertuigen in de
open lucht;
o het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen
of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht;
o het in de buitenlucht beoefenen van wedstrijdsport waar permanente voorzieningen
zijn voor de gelijktijdige aanwezigheid van meer dan 6.000 bezoekers;
o het geven van muziekuitvoeringen in de buitenlucht waar tegelijk meer dan 5.000
bezoekers aanwezig kunnen zijn;
o het paintballspel;
o het schieten in de open lucht met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk;
o het omzetten van windenergie in mechanische, elektrische of thermische energie,
waarbij:
i. de windturbines niet elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de
bodem of waterbodem in de vorm van een mast;
ii. de windturbines geen horizontale draaias van de rotor hebben, of
iii. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en het dichtstbijzijnde
gevoelige object kleiner is dan viermaal de ashoogte;
o het omzetten van hydrostatische energie in elektrische of thermische energie;
o het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie met een



Edited on 2007-11-30 20:01:00 by bas

Additions:
De in artikel 8.1, eerste lid van de wet opgenomen verboden gelden voor de volgende categorieën van inrichtingen:
a) inrichtingen bedoeld in artikel 8.2, derde en vierde lid, van de wet en de artikelen 3.2 en 3.3 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, uitgezonderd inrichtingen behorend tot categorie 5 van bijlage II van dat besluit; • Besluit glastuinbouw voor zover het een glastuinbouwbedrijf type A betreft; • Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen; • Besluit externe veiligheid inrichtingen; • Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer; • Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen; • Besluit LPG-tankstations milieubeheer; • Besluit risico’s zware ongevallen 1999; • Besluit verbranden afvalstoffen; • Besluit beheer autowrakken; • Regeling grenswaarde VCM-luchtemissies-PVC-inrichtingen milieubeheer; • Regeling grenswaarden luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer; • Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land;
c) landbouwinrichtingen waarop het Besluit landbouw milieubeheer op grond van artikel 3 of artikel 4 van dat besluit niet van toepassing is;
d) inrichtingen voor activiteiten die krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de wet zijn aangewezen, voorzover de terzake van de activiteiten krachtens het derde en vierde lid aangewezen categorieën de besluiten zijn waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
e) inrichtingen waarin zich één of meer broeikasgasinstallaties bevinden als bedoeld in artikel 16.1 van de wet;
f) inrichtingen op een locatie waar de in art 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd; • waar één of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer; • waar een warmtekrachtinstallatie aanwezig is waarin een andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt; • voor het beproeven van verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het afremmen van een gezamenlijk motorisch vermogen van 1 MW of meer; • voor het beproeven van straalmotoren of -turbines; • waar een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal vermogen van meer dan 20 kilowatt waarin andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, vloeibare brandstoffen of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14.214 worden verstookt, met uitzondering van installaties voor het smeden; • waar sprake is van een crematorium
i) inrichtingen voor het vervaardigen van gevaarlijke stoffen of stoffen die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen of voor het • meer dan 1.500 l ammoniak in gasflessen; • meer dan 1.500 l ethyleenoxide in gasflessen; • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen in gasflessen met een andere inhoud dan ammoniak, ethyleenoxide, verstikkende, oxiderende of brandbare gassen, samengeperste lucht of koelgas; • propaan in meer dan twee opslagtanks; • propaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 13.000 liter; • propaan waarbij het propaan, behoudens voor het leegmaken voor verplaatsing van het reservoir, niet uitsluitend in de gasfase aan een reservoir wordt onttrokken, • zuurstof in één of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 100 kubieke meter; • andere gassen dan propaan, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof in een opslagtank; of • gassen, anders dan in gasflessen, gaspatronen, spuitbussen of bovengrondse opslagtanks;
k) inrichtingen voor de opslag van ontplofbare stoffen van de klasse 1 van het ADR, indien sprake is van: • meer dan 25 kilogram theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het wettekst Vuurwerkbesluit, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als zijnde onverpakt vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onder b, van het Vuurwerkbesluit; • meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onderdeel b, van het Vuurwerkbesluit; • meer dan 25 kilogram in beslag genomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen in een politiebureau; • meer dan 1 kilogram zwart kruit; • meer dan 50 kilogram rookzwak kruit; • meer dan 50 kilogram netto explosieve massa noodsignaal; • meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens; • meer dan 250.000 patronen ten behoeve van schiethamers; of • andere ontplofbare stoffen dan de hierboven genoemde stoffen en anders dan pyrotechnisch speelgoed; • vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter, • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks, uitgezonderd de opslag van condensaat bij een inrichting voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, • gasolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter; • vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van meer dan 15 kubieke meter per opslagruimte; • vloeibare brandstoffen in een bunkerstation met een inhoud van meer dan 15 kubieke meter; • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen in een bunkerstation; • stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 10 kubieke meter; of • gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan gassen, gasolie, afgewerkte olie of stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks, uitgezonderd ten hoogste 15 kubieke meter opslag van PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel, ten hoogste 5 kubieke meter opslag van tetrahydrothiofeen bij een inrichting waar aardgasdruk wordt gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten en ten hoogste 1,5 kubieke meter opslag van halfzware olie bij een landbouwinrichting of glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;


Deletions:
De in artikel 8.1, eerste lid van de wet opgenomen verboden gelden voor de volgende categorieën van
inrichtingen:
a) inrichtingen bedoeld in artikel 8.2, derde en vierde lid, van de wet en de artikelen 3.2 en 3.3
van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, uitgezonderd inrichtingen
behorend tot categorie 5 van bijlage II van dat besluit;
• Besluit glastuinbouw voor zover het een glastuinbouwbedrijf type A betreft;
• Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen;
• Besluit externe veiligheid inrichtingen;
• Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer;
• Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen;
• Besluit LPG-tankstations milieubeheer;
• Besluit risico’s zware ongevallen 1999;
• Besluit verbranden afvalstoffen;
• Besluit beheer autowrakken;
• Regeling grenswaarde VCM-luchtemissies-PVC-inrichtingen milieubeheer;
• Regeling grenswaarden luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer;
• Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land;
c) landbouwinrichtingen waarop het Besluit landbouw milieubeheer op grond van artikel 3 of
artikel 4 van dat besluit niet van toepassing is;
d) inrichtingen voor activiteiten die krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de wet zijn aangewezen,
voorzover de terzake van de activiteiten krachtens het derde en vierde lid aangewezen
categorieën de besluiten zijn waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
e) inrichtingen waarin zich één of meer broeikasgasinstallaties bevinden als bedoeld in artikel
16.1 van de wet;
f) inrichtingen op een locatie waar de in art 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot
een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd;
• waar één of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een
totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer;
• waar een warmtekrachtinstallatie aanwezig is waarin een andere brandstof dan
aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt;
• voor het beproeven van verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen of installaties
aanwezig zijn voor het afremmen van een gezamenlijk motorisch vermogen van 1
MW of meer;
• voor het beproeven van straalmotoren of -turbines;
• waar een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal vermogen van
meer dan 20 kilowatt waarin andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas,
vloeibare brandstoffen of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14.214 worden verstookt,
met uitzondering van installaties voor het smeden;
• waar sprake is van een crematorium
i) inrichtingen voor het vervaardigen van gevaarlijke stoffen of stoffen die bij of krachtens het
Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een
categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen of voor het
• meer dan 1.500 l ammoniak in gasflessen;
• meer dan 1.500 l ethyleenoxide in gasflessen;
86
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen in gasflessen met een andere inhoud dan ammoniak,
ethyleenoxide, verstikkende, oxiderende of brandbare gassen, samengeperste lucht of
koelgas;
• propaan in meer dan twee opslagtanks;
• propaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 13.000 liter;
• propaan waarbij het propaan, behoudens voor het leegmaken voor verplaatsing van
het reservoir, niet uitsluitend in de gasfase aan een reservoir wordt onttrokken,
• zuurstof in één of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 100
kubieke meter;
• andere gassen dan propaan, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof in een
opslagtank; of
• gassen, anders dan in gasflessen, gaspatronen, spuitbussen of bovengrondse
opslagtanks;
k) inrichtingen voor de opslag van ontplofbare stoffen van de klasse 1 van het ADR, indien
sprake is van:
• meer dan 25 kilogram theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het
Vuurwerkbesluit, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan
van het gewicht van het vuurwerk als zijnde onverpakt vuurwerk als bedoeld in artikel
1.1.1, vijfde lid, onder b, van het Vuurwerkbesluit;
• meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk, waarbij voor de bepaling van de
hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als bedoeld in
artikel 1.1.1, vijfde lid, onderdeel b, van het Vuurwerkbesluit;
• meer dan 25 kilogram in beslag genomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk
vergelijkbare eigenschappen in een politiebureau;
• meer dan 1 kilogram zwart kruit;
• meer dan 50 kilogram rookzwak kruit;
• meer dan 50 kilogram netto explosieve massa noodsignaal;
• meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen dan wel onderdelen daarvan voor
vuurwapens;
• meer dan 250.000 patronen ten behoeve van schiethamers; of
• andere ontplofbare stoffen dan de hierboven genoemde stoffen en anders dan
pyrotechnisch speelgoed;
• vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks met een
gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter,
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen of afgewerkte
olie in ondergrondse opslagtanks, uitgezonderd de opslag van condensaat bij een
inrichting voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid,
• gasolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks in de buitenlucht met een
gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter;
• vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks inpandig met een
gezamenlijke inhoud van meer dan 15 kubieke meter per opslagruimte;
• vloeibare brandstoffen in een bunkerstation met een inhoud van meer dan 15 kubieke
meter;
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen in een bunkerstation;
• stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend
gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 10
kubieke meter; of
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan gassen, gasolie, afgewerkte olie of
stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder
bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks, uitgezonderd ten hoogste 15
kubieke meter opslag van PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel, ten
87
hoogste 5 kubieke meter opslag van tetrahydrothiofeen bij een inrichting waar
aardgasdruk wordt gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten en ten
hoogste 1,5 kubieke meter opslag van halfzware olie bij een landbouwinrichting of
glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;



Oldest known version of this page was edited on 2007-11-25 22:02:36 by admin [ pagina aangemaakt ]

Bijlage 1 Lijst van vergunningplichtige inrichtingen

De in artikel 8.1, eerste lid van de wet opgenomen verboden gelden voor de volgende categorieën van
inrichtingen:

a) inrichtingen bedoeld in artikel 8.2, derde en vierde lid, van de wet en de artikelen 3.2 en 3.3
van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, uitgezonderd inrichtingen
behorend tot categorie 5 van bijlage II van dat besluit;
b) inrichtingen waarop een van de onderstaande besluiten en regelingen van toepassing is:
• Besluit glastuinbouw voor zover het een glastuinbouwbedrijf type A betreft;
• Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen;
• Besluit externe veiligheid inrichtingen;
• Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer;
• Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen;
• Besluit LPG-tankstations milieubeheer;
• Besluit risico’s zware ongevallen 1999;
• Besluit verbranden afvalstoffen;
• Besluit beheer autowrakken;
• Regeling grenswaarde VCM-luchtemissies-PVC-inrichtingen milieubeheer;
• Regeling grenswaarden luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer;
• Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land;
c) landbouwinrichtingen waarop het Besluit landbouw milieubeheer op grond van artikel 3 of
artikel 4 van dat besluit niet van toepassing is;
d) inrichtingen voor activiteiten die krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de wet zijn aangewezen,
voorzover de terzake van de activiteiten krachtens het derde en vierde lid aangewezen
categorieën de besluiten zijn waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn;
e) inrichtingen waarin zich één of meer broeikasgasinstallaties bevinden als bedoeld in artikel
16.1 van de wet;
f) inrichtingen op een locatie waar de in art 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot
een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd;
g) inrichtingen
• waar één of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een
totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer;
• waar een warmtekrachtinstallatie aanwezig is waarin een andere brandstof dan
aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt;
• voor het beproeven van verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen of installaties
aanwezig zijn voor het afremmen van een gezamenlijk motorisch vermogen van 1
MW of meer;
• voor het beproeven van straalmotoren of -turbines;
• waar een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal vermogen van
meer dan 20 kilowatt waarin andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas,
vloeibare brandstoffen of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14.214 worden verstookt,
met uitzondering van installaties voor het smeden;
• waar sprake is van een crematorium
h) inrichtingen voor het vervaardigen of verwerken van elastomeren of kunststoffen;
i) inrichtingen voor het vervaardigen van gevaarlijke stoffen of stoffen die bij of krachtens het
Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een
categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen of voor het
vervaardigen van verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;
j) inrichtingen voor de opslag van:
• meer dan 1.500 l ammoniak in gasflessen;
• meer dan 1.500 l ethyleenoxide in gasflessen;
86
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen in gasflessen met een andere inhoud dan ammoniak,
ethyleenoxide, verstikkende, oxiderende of brandbare gassen, samengeperste lucht of
koelgas;
• propaan in meer dan twee opslagtanks;
• propaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 13.000 liter;
• propaan waarbij het propaan, behoudens voor het leegmaken voor verplaatsing van
het reservoir, niet uitsluitend in de gasfase aan een reservoir wordt onttrokken,
• zuurstof in één of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 100
kubieke meter;
• andere gassen dan propaan, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof in een
opslagtank; of
• gassen, anders dan in gasflessen, gaspatronen, spuitbussen of bovengrondse
opslagtanks;
k) inrichtingen voor de opslag van ontplofbare stoffen van de klasse 1 van het ADR, indien
sprake is van:
• meer dan 25 kilogram theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het
Vuurwerkbesluit, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan
van het gewicht van het vuurwerk als zijnde onverpakt vuurwerk als bedoeld in artikel
1.1.1, vijfde lid, onder b, van het Vuurwerkbesluit;
• meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk, waarbij voor de bepaling van de
hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als bedoeld in
artikel 1.1.1, vijfde lid, onderdeel b, van het Vuurwerkbesluit;
• meer dan 25 kilogram in beslag genomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk
vergelijkbare eigenschappen in een politiebureau;
• meer dan 1 kilogram zwart kruit;
• meer dan 50 kilogram rookzwak kruit;
• meer dan 50 kilogram netto explosieve massa noodsignaal;
• meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen dan wel onderdelen daarvan voor
vuurwapens;
• meer dan 250.000 patronen ten behoeve van schiethamers; of
• andere ontplofbare stoffen dan de hierboven genoemde stoffen en anders dan
pyrotechnisch speelgoed;
l) inrichtingen voor de opslag van:
• vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks met een
gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter,
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen of afgewerkte
olie in ondergrondse opslagtanks, uitgezonderd de opslag van condensaat bij een
inrichting voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid,
• gasolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks in de buitenlucht met een
gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter;
• vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks inpandig met een
gezamenlijke inhoud van meer dan 15 kubieke meter per opslagruimte;
• vloeibare brandstoffen in een bunkerstation met een inhoud van meer dan 15 kubieke
meter;
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen in een bunkerstation;
• stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend
gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 10
kubieke meter; of
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan gassen, gasolie, afgewerkte olie of
stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder
bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks, uitgezonderd ten hoogste 15
kubieke meter opslag van PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel, ten
87
hoogste 5 kubieke meter opslag van tetrahydrothiofeen bij een inrichting waar
aardgasdruk wordt gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten en ten
hoogste 1,5 kubieke meter opslag van halfzware olie bij een landbouwinrichting of
glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;
m) inrichtingen voor de opslag van andere gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen dan genoemd
onder j of k in verpakking, uitgezonderd:
• stoffen van de klasse 3, 5.1, 7 en 9 van het ADR;
• stoffen van de klasse 4.1, verpakkingsgroep II en II en klasse 4.2 en 4.3,
verpakkingsgroep I, II en III van het ADR;
• stoffen van de klasse 5.2 van het ADR uitsluitend als LQ tot 1.000 kg;
• stoffen van de klasse 6.2 van het ADR;
• stoffen van de klasse 6.1 van het ADR verpakkingsgroep II en III;
• stoffen van de klasse 6.1. verpakkingsgroep I tot 1.000 kg;
• stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I zonder aanvullend etiket 6.1 van
het ADR en verpakkingsgroep II en III
• stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I met aanvullend etiket nummer
6.1 van het ADR tot 1.000 kilogram;
n) inrichtingen voor de opslag van gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan in verpakking,
in opslagtanks van metaal of kunststof of in bunkerstations;
o) inrichtingen waar een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen met
een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram aanwezig is;
p) inrichtingen:
• voor het vullen van gasflessen met uitzondering van het vullen van gasflessen met
propaan of butaan vanuit een gasfles van maximaal 150 liter van gasflessen met een
inhoud kleiner dan 12 liter en met uitzondering van het vullen van persluchtflessen
door middel van een compressor;
• voor het vullen van spuitbussen;
• voor het begassen of ontgassen van containers;
• voor het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;
• waar warmtepompen, koelinstallaties of vriesinstallaties aanwezig zijn, met een
inhoud per installatie van meer dan 1.500 kilogram ammoniak of 100 kilogram
propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan;
• voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, voor
zover de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 10.000 kilo Pascal bedraagt of
een gasexpansieturbine aanwezig sof drukverhogende installaties aanwezig zijn of de
gastoevoerleiding een grotere diameter heeft dan 20 inch;
• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het
wegverkeer waar aflevering plaatsvindt met een pomp die zich onder het
vloeistofniveau in de tank bevindt;
• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan beroepsvaartuigen;
• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen door een afleverzuil waar aflevering
zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is tussen de
afleverzuil en een woning van derden, sporthal, zwembad, winkel, hotel, restaurant,
kantoorgebouw, bedrijfsgebouw, speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex,
recreatieterrein, bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis, sanatorium,
zwakzinnigeninrichting, gezinsvervangend tehuis, school, telefooncentrale, gebouw
met vluchtleidingsapparatuur, elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation van de
hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object met een hoge
infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse opslagtank voor brandbare,
explosieve of giftige stoffen, en een plaats ten behoeve van de bewaring van
gasflessen waarvan de gezamenlijke inhoud meer dan 2500 liter (waterinhoud)
bedraagt van derden;
• voor het verven van bloemen en planten;
88
• waar praktijkruimten aanwezig zijn voor chemisch, natuurkundig of medisch onderwijs
waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van
toepassing is;
• waar laboratoria aanwezig zijn uitgezonderd laboratoria voor interne
kwaliteitscontroles of productcontroles en laboratoria ten behoeve van huisartsen,
dierenartsen, tandartsen of tandtechnici;
q) inrichtingen voor het vervaardigen of bewerken van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en
vetten en voor het opslaan van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten in
opslagtanks met een gezamenlijke inhoud groter dan 150 kubieke meter;
r) inrichtingen voor:
• het vervaardigen of bewerken van anorganische nitraathoudende kunstmeststoffen;
• het opslaan van meststoffen behorende tot meststoffengroep 3 of meststoffengroep 4;
• het opslaan van meer dan 50 ton meststoffen behorende tot meststoffengroep 2;
• het bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen,
uitgezonderd mengen en roeren;
• het opslaan van meer dan 600 kubieke meter vaste meststoffen;
• het opslaan van dunne mest waarop het Besluit mestbassins milieubeheer niet van
toepassing is en voor zover het niet gaat om een landbouwinrichting;
s) inrichtingen voor:
• het houden van honden, roofvogels of siervogels in de buitenlucht;
• dierentuinen in de zin van artikel 1 onder a van het Dierentuinenbesluit;
• het kweken van consumptie vis;
• het recreatievissen of het kweken van siervis in een bassin dat in contact staat met
bodem, grondwater of oppervlaktewater;
• het kweken van ongewervelde dieren;
• het houden van meer dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25
konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren, voor zover het niet gaat om een
landbouwinrichting;
• het verladen van landbouwhuisdieren;
• het slachten van meer dan 20 dieren per week en het verwerken van producten die bij
het slachten vrijkomen;
• het vervaardigen of het industrieel verwerken van huiden, bont, leer of
lederhalffabrikaten;
• activiteiten, waarvoor de verboden van artikel 5 van de Destructiewet gelden;
t) inrichtingen voor:
• het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of
grondstoffen daarvoor waarbij:
i. de gezamenlijke nominale belasting op bovenwaarde van continu-ovens meer
bedraagt dan 200 kilowatt;
ii. gebruik wordt gemaakt van een of meer andere apparaten dan continu-ovens
met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130
kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt;
• het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen voor dieren;
• het vervaardigen van meel en bloem, met uitzondering van wind- en watermolens;
• het opslaan van ruwe cacao;
• het onder een permanente opstand van glas of kunststof telen van gewassen voor
zover het niet gaat om een landbouwinrichting of een glastuinbouwbedrijf zoals
bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;
u) inrichtingen voor:
• het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele nominale belasting
op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130
kilowatt van keramische producten, bakstenen, sierstenen of bestratingsstenen,
dakpannen, porselein of aardewerk;
89
• het opslaan of overslaan van steenkool en ertsen of derivaten van ertsen;
• het malen, roosten, pelletiseren of doen sinteren van ertsen of derivaten daarvan;
• het vervaardigen van cement of cementklinker en cementmortel of betonmortel;
• het vervaardigen van cementwaren of betonwaren met behulp van persen, triltafels of
bekistingstrillers;
• het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele nominale belasting
op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130
kilowatt van glas of glazen voorwerpen;
• het vervaardigen van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol;
• het vervaardigen van asfalt of asfaltproducten;
• het vervaardigen van cokes uit steenkool;
• het vergassen van steenkool;
• het bewerken of verwerken van gesteente, afkomstig uit kolenmijnen;
• het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel;
• het bewerken van natuursteen;
• het winnen, breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand of grind,
kalkzandsteen, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;
v) inrichtingen voor:
• het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen;
• het met warm- of koudwalsen tot platen omvormen van metalen of hun legeringen,
waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, waarbij de dikte van het aangevoerde
materiaal groter is dan 1 mm en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan
meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• het met wals- en trekinstallaties tot profielmateriaal of stafmateriaal omvormen van
metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K en waar het
productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• het met wals- of trekinstallaties produceren van metalen buizen en waar het
productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• het smeden van ankers of kettingen waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan
meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• voor het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of
containers waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000
vierkante meter bedraagt;
• het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen, stafmaterialen of
buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren waar het niet in
een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlak ten aanzien daarvan meer
dan 2.000 vierkante meter bedraagt;
• het gieten van metalen of hun legeringen;
• het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het
metaaloppervlak, indien daarbij zouten, oliën of procesgassen anders dan inerte
gassen of koolzuurgas worden toegepast;
• het behandelen van metaaloppervlakken door schoonbranden en pyrolyse;
• het aanbrengen van metaallagen met cyanidehoudende baden, met een totale
badinhoud van meer dan 100 liter;
w) inrichtingen voor:
• het vervaardigen, onderhouden, repareren, proefdraaien of reinigen van vliegtuigen;
• het vervaardigen of assembleren van automobielen of motoren voor automobielen
met een productieoppervlak ten aanzien daarvan van 10.103 vierkante meter of meer;
• het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van
schepen voor de beroepsvaart;
• het vervaardigen van pleziervaartuigen;
• het afmeren van zeegaande veerboten;
• het overslaan van schip naar schip;
90
• het reinigen van tankschepen;
• het voor meer dan 24 uur parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;
• het parkeren van meer dan 3 vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;
x) spoorwegemplacementen;
y) inrichtingen voor het onderhouden, repareren, keuren, reinigen, verhandelen, verhuren,
proefdraaien of behandelen van de oppervlakte van spoorvoertuigen of onderdelen daarvan;
z) inrichtingen voor:
• het vervaardigen van producten van houtmeelvezels, houtwolvezels of houtvezels;
• het vervaardigen van triplexplaten, fineerplaten, vezelplaten of spaanplaten;
• het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of de
vacuümdrukmethode;
aa) inrichtingen voor:
o het industrieel vervaardigen of verwerken van textiel, woningtextiel,
textielgrondstoffen, bont, leer, vlas of producten hiervan;
o het vervaardigen of bewerken van papierstof, papier of producten hiervan;
o het zelfklevend maken van materialen;
o het toepassen van de volgende drukprocessen:
i. illustratiediepdruk;
ii. rotatieoffset;
iii. vellen-offset, met apparatuur een totaal elektromotorisch of
verbrandingsmotorisch vermogen groter dan 40 kilowatt;
iv. flexodruk en verpakkingsdiepdruk;
v. rotatiezeefdruk;
vi. zeefdruk met een emissie groter dan 10.000 kilogram vluchtige organische
stoffen per jaar;
bb) inrichtingen voor schieten met vuurwapens of werpen met ontvlambare of ontplofbare
voorwerpen;
cc) inrichtingen voor:
o sport of recreatie die per jaar 500.000 bezoekers of meer trekken;
o het gebruiken van gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen of –voertuigen in de
open lucht;
o het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen
of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht;
o het in de buitenlucht beoefenen van wedstrijdsport waar permanente voorzieningen
zijn voor de gelijktijdige aanwezigheid van meer dan 6.000 bezoekers;
o het geven van muziekuitvoeringen in de buitenlucht waar tegelijk meer dan 5.000
bezoekers aanwezig kunnen zijn;
o het paintballspel;
o het schieten in de open lucht met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk;
dd) inrichtingen voor:
o het omzetten van windenergie in mechanische, elektrische of thermische energie,
waarbij:
i. de windturbines niet elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de
bodem of waterbodem in de vorm van een mast;
ii. de windturbines geen horizontale draaias van de rotor hebben, of
iii. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en het dichtstbijzijnde
gevoelige object kleiner is dan viermaal de ashoogte;
o het omzetten van hydrostatische energie in elektrische of thermische energie;
o het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie met een
vermogen van meer dan 4 kilowatt;
o het omzetten van thermische energie in elektrische energie;
ee) transformatorstations met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren, met
een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer;
91
ff) inrichtingen waar activiteiten of handelingen plaatsvinden als bedoeld in categorie 21 van
bijlage 1 behorend bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit;
gg) academische ziekenhuizen als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en
het wetenschappelijk onderzoek, en inrichtingen die krachtens de Wet toelating
zorginstellingen zijn aangewezen als instellingen voor medisch-specialistische zorg;
hh) inrichtingen voor het vervaardigen van koolstofelektroden;
ii) inrichtingen voor het inwendig reinigen van:
o van buiten de inrichting afkomstige gebruikte drukhouders, insluitsystemen, ketels of
vaten;
o mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke
stoffen of CMR-stoffen zijn vervoerd;
o mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers die niet in de inrichting
zijn geladen of gelost;
jj) inrichtingen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken;
kk) zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwaterzuiveringen die zelfstandig een inrichting
vormen;
ll) inrichtingen voor:
o verwijdering van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van
Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006
betreffende afvalstoffen,
o het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige
afvalstoffen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd:
i. ten hoogste 2.000 kubieke meter zand, grind en grond bij een
landbouwinrichting voor zover deze stoffen bedoeld en geschikt zijn voor
nuttige toepassing;
ii. ten hoogste 600 kubieke meter groenafval, afgedragen gewas of
bloembollenafval bij een landbouwinrichting;
iii. ten hoogste 1.000 kubieke meter restproducten uit de land- en tuinbouw en
de voedingsbereiding en –verwerking met euralcodes: 020103. 020304.
020501, 020601 en 020704, bij een landbouwinrichting bestemd om binnen
de inrichting te worden gebruikt als diervoeder; en
iv. een maximale opslagoppervlakte van 6.000 vierkante meter voor afgedankte
consumentenproducten bij een inrichting voor het voor hergebruik geschikt maken van deze
producten voor zover deze producten vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan
particulieren in Nederland;
o het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn,
uitgezonderd:
i. het opslaan van autowrakken bij inrichtingen waar onderhoud en reparatie
van motorvoertuigen plaats vindt en het opslaan van maximaal 4 autowrakken
in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe
aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie;
ii. het opslaan van ten hoogste 100 kubieke meter afgedankte apparatuur,
bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en
elektronische apparatuur die conform artikel 4 van die regeling zijn
ingenomen bij het ter beschikking stellen van een nieuw product;
iii. een maximale opslagoppervlakte van 1.000 vierkante meter voor afgedankte
apparatuur, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit beheer
elektrische en elektronische apparatuur bij een inrichting voor het voor
hergebruik geschikt maken van deze apparatuur voor zover deze apparatuur
vanuit de inrichting ter beschikking wordt gesteld aan particulieren in
Nederland;
iv. ten hoogste 35 kubieke meter afvalstoffen ontstaan bij
bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden of
92
herstelwerkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de
inrichting drijft;
v. ingenomen afgewerkte olie, bilgewater en gevaarlijke afvalstoffen afkomstig
van onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen bij een inrichting waar
gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen met een
maximale opslag van 150 kubieke meter in tanks en 10.000 kilogram anders
dan in tanks;
o het overslaan van afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn met een
capaciteit van meer dan 1.000 kubieke meter per jaar bij een inrichting waar geen
opslag van afvalstoffen plaatsvindt;
o het bewerken of verwerken van afvalstoffen, uitgezonderd:
i. het als grondstof inzetten van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde metaal,
hout, kunststof of textiel voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van
producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof of
textiel met een maximale capaciteit van 10.000 ton per jaar;
ii. het voor hergebruik geschikt maken van afgedankte consumentenproducten,
niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, en van afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur van particuliere huishoudens, bedoeld in artikel 1,
onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur
voor zover de apparatuur niet wordt ontmanteld, deze producten en
apparatuur vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan
particulieren in Nederland en de oppervlakte voor reparatie niet groter is dan
1.000 vierkante meter;
iii. het scheiden van olie- en waterfractie van ingenomen bilgewater bij een
inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van
pleziervaartuigen met een slibvangput en olieafscheider met een maximale
nominale grootte van 20 volgens NEN-EN 858-1 en 2;
iv. het composteren van plantaardig restmateriaal bij een landbouwinrichting met
een maximaal volume van 600 kubieke meter;
v. het als diervoerder binnen de inrichting gebruiken en voor dit gebruik geschikt
maken van plantaardige restproducten uit de land- en tuinbouw en uit de
voedselbereiding en –verwerking met euralcodes: 020103, 020304, 020501,
020601 en 020704, bij een landbouwinrichting met een maximale capaciteit
van 4.000 ton per jaar;
o het vernietigen van afvalstoffen, waaronder mede begrepen het geheel of gedeeltelijk
vernietigen van buiten de inrichting afkomstige genetisch gemodificeerde organismen
als afvalstoffen of voorkomend in afvalstoffen;
o het verbranden van afvalstoffen;
o het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen.
93
Voor de toepassing van ll blijven buiten beschouwing:
o het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater, gebracht in een voorziening voor
de inzameling en het transport van afvalwater;
o het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks,
tankwagens of tankcontainers en bulkcontainers;
o het opslaan, bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen,
niet zijnde zuiveringsslib.
Last Revision :
Last Editor :
Owner :


 
 

agentschap.nl

 

SIKB nieuws


 
 
Pagina gegenereerd in 1.9 seconden.