Artikel 26
- Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het percentage van de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium in een materiaal wordt vastgesteld.
- Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het volume per kleinste eenheid van een materiaal, alsmede de duurzame vormvastheid daarvan, wordt vastgesteld.
- Voor de toepassing van dit besluit wordt onder bouwstof mede verstaan, een bouwstof die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten grond of baggerspecie, voor zover deze grond of baggerspecie daar geen functioneel onderdeel van uitmaakt.
Artikel 27
- Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
- bouwstoffen die binnen een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c. van de Woningwet worden toegepast;
- bouwstoffen die vallen onder een douaneregeling en bestemd zijn voor douanevervoer, plaatsing in douane-entrepot of voor tijdelijke invoer als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992, tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302).
- Het tijdelijk verplaatsen of uit een werk wegnemen van bouwstoffen is toegestaan zonder inachtneming van de artikelen 28 tot en met 32, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk worden aangebracht.
Artikel 28
- Het vervaardigen, invoeren, voor toepassing in Nederland of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen of toepassen van bouwstoffen is verboden, tenzij:
- de samenstellings- en emissiewaarden van de bouwstof zijn bepaald aan de hand van de parameters, die in bijlage 1 van dit besluit zijn vermeld en bij regeling van Onze Ministers zijn aangewezen, overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde methoden door of onder toezicht van een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning;
- een bij regeling van Onze Ministers aangewezen persoon of instelling op een bij regeling van Onze Ministers voorgeschreven wijze heeft vastgesteld dat de waarden, bedoeld onder a, de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde maximale samenstellings- en emissiewaarden niet overschrijden;
- uit een milieuhygiënische verklaring, die is afgegeven onder bij regeling van Onze Ministers vastgestelde voorwaarden, blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in onderdeel a en b; en
- een afleveringsbon bij de desbetreffende partij aanwezig is die de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gegevens bevat.
- Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald in welke gevallen een afleveringsbon als bedoeld in het eerste lid, onder d niet vereist is.
- Degene die de bouwstoffen toepast bewaart de bijbehorende milieuhygiënische verklaring en de afleveringsbon gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de bouwstoffen zijn toegepast en verstrekt die verklaring of afleveringsbon op verzoek van het bevoegd gezag.
- Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het samenvoegen en splitsen van partijen bouwstof.
- Het is verboden om bouwstoffen toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid en 7 van dit besluit.
Artikel 29
- In afwijking van artikel 28, eerste lid, onder a en c, worden de samenstellings- en emissiewaarden van de toe te passen bouwstof niet bepaald en is geen milieuhygiënische verklaring vereist, indien sprake is van de volgende handelingen:
- het toepassen van metselmortel of natuursteenproducten, met uitzondering van breuksteen en steenslag;
- het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen en bakstenen;
- het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen van bouwstoffen, waarvan de eigendom niet wordt overgedragen;
- het opnieuw toepassen van niet teerhoudend asfalt of asfaltbeton in wegverhardingen indien overeenkomstig de CROW-publicatie, 210 «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt» wordt aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is;
- het toepassen van bouwstoffen door natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf.
- Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien degene die de bouwstof toepast op grond van kennis of organoleptische waarneming kan aannemen of redelijkerwijs had moeten aannemen dat niet is voldaan aan artikel 28, eerste lid, onder b.
Artikel 30
- Een bouwstof die de maximale emissiewaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder b overschrijdt, kan als IBC-bouwstof worden toegepast, indien:
- de bouwstof voldoet aan de bij regeling van Onze Ministers gesteld maximale emissiewaarden voor IBC-bouwstoffen;
- de bouwstof ten minste het bij regeling van Onze Ministers bepaalde volume heeft en aaneengesloten in een werk wordt toegepast;
- isolatie-, beheers- en controlemaatregelen worden getroffen, die voldoen aan de daarvoor bij regeling van Onze Ministers gestelde eisen en die zijn goedgekeurd door een bij regeling van Onze Ministers aangewezen persoon of instelling.
- Het is verboden IBC-bouwstoffen in een oppervlaktewaterlichaam toe te passen.
Artikel 31
- Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de eis, gesteld in artikel 30, eerste lid, onder c, voor zover anders dan door toepassing van die regel ten minste dezelfde mate van bescherming van de bodem wordt geboden, als is beoogd met de betrokken eis.
- Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent:
- de beoordeling van de gelijkwaardigheid; en
- de bij de aanvraag te verstrekken gegevens, waaruit onder meer blijkt dat sprake is van bescherming als bedoeld in het eerste lid.
- Een aanvraag wordt, door middel van een door Onze Minister vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Minister.
Artikel 32
- Degene die voornemens is een bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder c, meldt dit voornemen ten minste vijf werkdagen voor het toepassen aan Onze Minister.
- Degene die voornemens is een IBC-bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 30 meldt dat voornemen tenminste vier weken voor het toepassen aan Onze Minister.
- Bij een melding als bedoeld in het eerste en tweede lid, worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
- de naam en het adres van de toepasser;
- de datum waarop de toepassing zal plaatsvinden;
- de toepassingslocatie;
- de beoogde toepassing;
- het soort en de hoeveelheid toe te passen bouwstof.
Bij een melding als bedoeld in het eerste lid wordt voorts vermeld:
- het werk, en
- de plaats van herkomst van de toe te passen bouwstof.
Bij een melding als bedoeld in het tweede lid worden voorts verstrekt:
- een milieuhygiënische verklaring; en
- de beschrijving van de isolatie, controle- en beheersmaatregelen, alsmede de vermelding van de persoon of instelling die deze maatregelen heeft goedgekeurd.
- Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het derde lid bedoelde gegevens.
- Indien bij een voorgenomen toepassing van een IBC-bouwstof de milieuhygiënische verklaring nog niet beschikbaar is op het tijdstip waarop de melding wordt gedaan, wordt deze uiterlijk vijf werkdagen voor de toepassing van de desbetreffende IBC-bouwstof aan Onze Minister verstrekt.
- De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier waarvan het model door Onze Ministers wordt vastgesteld. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.
- Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch door aan het bevoegd gezag.
Artikel 33
Degene die een bouwstof toepast, draagt er zorg voor dat die bouwstof:
- niet met de bodem wordt vermengd;
- kan worden verwijderd; en
- wordt verwijderd in geval het werk of het deel van het werk waarvan de bouwstof deel uitmaakt niet meer als functionele toepassing kan worden beschouwd, tenzij het verwijderen leidt tot een grotere aantasting van de bodem of een oppervlaktewaterlichaam dan het niet verwijderen.