Activiteitenbesluit toelichting Artikel 1.1
In dit artikel zijn de technische begripsbepalingen opgenomen. In artikel 1.2 zijn de meer centrale definities opgenomen.
Met betrekking tot water
De besluiten waarin lozing van afvalwater vanuit inrichtingen vóór de inwerkingtreding van dit besluit was geregeld, hanteerden verschillende begripsomschrijvingen. Het begrippenkader in de Wm met betrekking tot afvalwater en de voorzieningen waarin afvalwater wordt geloosd is met de
inwerkingtreding van de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken per 1 januari 2008 aangepast. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij begripsomschrijvingen uit Europese regelgeving, met name bij richtlijn nr. 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater. Dit besluit hanteert dit aangepaste begrippenkader, ook voor lozingen die onder de Wvo vallen.
In de omschrijving van het begrip lozen worden de verschillende mogelijkheden genoemd om zich van afvalwater te ontdoen. Bij de eerste twee, namelijk het direct brengen in het oppervlaktewater of op of in de bodem, vindt lozing van afvalwater (al dan niet na zuivering) rechtstreeks in het milieu plaats. Bij de overige mogelijkheden wordt geloosd in een voorziening die voor het beheer (zoals inzameling, transport, nuttige toepassing of verwijdering) van afvalwater is bestemd en wordt het afvalwater vervolgens door de beheerder van die voorziening, al dan niet na behandeling, in het milieu gebracht. Daarbij kan het gaan om verschillende voorzieningen:
1. Een openbaar vuilwaterriool, beheerd door of namens de gemeente. Stedelijk afvalwater wordt hiermee ingezameld en naar een zuiveringstechnisch werk getransporteerd. Daarbij kan het zowel gaan om de klassieke grootschalige rioolstelsels, waarmee omvangrijke woongebieden worden gerioleerd, als om kleinschalige voorzieningen, waardoor bijvoorbeeld in het buitengebied het afvalwater van slechts een beperkt aantal lozers naar een kleinschalig zuiveringstechnisch werk wordt getransporteerd. Uit de begripsomschrijvingen van openbaar vuilwaterriool en stedelijk afvalwater in de Wm volgt dat van een openbaar vuilwaterriool slechts sprake is als daardoor huishoudelijk afvalwater wordt ingezameld en getransporteerd, al dan niet in combinatie met afvloeiend hemelwater en bedrijfsafvalwater. Dat is in overeenstemming met de primaire functie van het openbaar vuilwaterriool, namelijk transport van bezinkbare en biologisch afbreekbare stoffen naar
zuiveringsinstallaties die primair voor verwijdering van die stoffen zijn ontworpen.
2. Een openbaar hemelwaterstelsel, bestemd voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater. Daarbij kan het gaan om riolering; een zelfstandig hemelwaterriool of het hemelwatergedeelte van een verbeterd gescheiden stelsel. Het kan ook gaan om een bovengrondse voorziening voor afvoer en in het milieu terugbrengen van afvloeiend hemelwater, zoals de zogenaamde wadi’s. Indien afvloeiend hemelwater wordt ingezameld en getransporteerd door middel van een voorziening, die tevens bestemd is voor inzameling en transport van huishoudelijk afvalwater is er geen sprake van een openbaar hemelwaterstelsel, maar van een openbaar vuilwaterriool. Door de vermenging is het relatief schone afvloeiend hemelwater immers verontreinigd geraakt en moet het verder als vuilwater worden behandeld.
3. Een openbaar ontwateringsstelsel bestemd voor de verwerking van grondwater. Een dergelijke voorziening kan in de praktijk worden gecombineerd met een voorziening voor het beheer van afvloeiend hemelwater. Gelet op de in de Wm gehanteerde begripsomschrijvingen is bij een dergelijke gecombineerde voorziening zowel sprake van een openbaar hemelwaterriool als een openbaar ontwateringsstelsel.
4. Een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Onder die restcategorie vallen enerzijds stelsels die van overheidswege worden beheerd, maar bestemd zijn voor ander afvalwater dan stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of overtollig grondwater. Anderzijds vallen daaronder stelsels die niet door of namens de overheid worden beheerd, maar bijvoorbeeld door een stichting die een terrein beheert waar afvalwater vrijkomt. Veelal zal afvalwater uit dergelijke stelsels uiteindelijk alsnog op een overheidsvoorziening worden geloosd.
5. Zuiveringstechnisch werk waaronder zowel wordt verstaan de grootschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties als kleinschalige door de overheid beheerde zuiveringstechnische werken die in het buitengebied om redenen van doelmatigheid worden toegepast als alternatief voor aansluiting op het openbaar vuilwaterriool waarmee de bebouwde kom is gerioleerd.
6. Een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, dat is aangesloten op een zuiveringstechnisch werk. Hierbij gaat het om riolering, waarmee vanuit inrichtingen rechtstreeks wordt geloosd op een zuiveringstechnisch werk (waaronder ook vallen de
bijbehorende transportleidingen).
Voor het reguleren van het lozen in voorzieningen voor het beheer van afvalwater is het van belang, of het in de voorzieningen geloosde afvalwater voordat het in het milieu wordt gebracht wordt gezuiverd in een werk, dat (mede) voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bedoeld. Dit kan een zuiveringstechnisch werk zijn, of een zuiveringsvoorziening die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 1 van de Wvo, mede voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bedoeld (dit kan ook het geval zijn bij industriële zuiveringen, welke qua prestaties niet verschillen van een zuiveringstechnisch werk, en waarin naast het bedrijfsafvalwater ook stedelijk afvalwater van derden wordt gezuiverd). Is dat wel het geval, dan verschillen de eisen voor het lozen voor verschillende parameters van eisen die worden gesteld wanneer het lozen vanuit de voorziening rechtstreeks in het milieu plaatsvindt. Om dit onderscheid te maken wordt in dit besluit de omschrijving “vuilwaterriool” gebruikt. Hieronder vallen
naast een openbaar vuilwaterriool ook:
a. een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die uitkomt op een zuiveringstechnisch werk, of op een zuiveringsvoorziening die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wvo, voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bestemd.
b. een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, aangesloten op een zuiveringstechnisch werk.
Met betrekking tot de overige begrippen
Bedrijventerrein
Het begrip bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 2.17, derde lid, ten aanzien van gevoelige objecten die op een bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende bestemmingsplannen. Het komt vaak voor dat een bestemmingsplan dat een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een bestemmingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan
het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor dergelijke percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van
toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Als een bepaald bedrijventerrein niet onder de definitie valt, bijvoorbeeld omdat nog geen bestemmingsplan is vastgesteld, kan een gemeente desgewenst via een
gemeentelijke verordening een andere geluidswaarde vaststellen.
Beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten
In de oude besluiten werden tot dusverre uiteenlopende indelingen naar kwetsbaarheid van objecten gehanteerd, al naar gelang van het type risicobron (LPG-tankstation, opslag van propaan, CPR-15 inrichting). In dit besluit zijn die indelingen zoveel mogelijk geharmoniseerd in de lijn van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Een uitgebreide toelichting op de begrippen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten is opgenomen in de nota van toelichting van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Brandcompartiment
In artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 is voor brandcompartiment de volgende definitie opgenomen: een gedeelte van één of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand.
Bunkerstation
Voor deze definitie is aangesloten bij de definitie van bunkerstation zoals opgenomen in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van het Binnenschepenbesluit.
CMR-stof
CMR-stoffen zijn carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen. Het betreft stoffen en preparaten die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd zijn als Kankerverwekkend categorie 1 of 2 of als Mutageen categorie 1 of 2 of als "voor de voortplanting giftig" categorie 1 of 2. Het handelt dus alleen om producten die het symbool "T" (Giftig) toegekend hebben gekregen. Voor een overzicht van deze stoffen wordt verwezen naar de volgende overzichten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid:
- SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen;
- SZW-lijst van mutagene stoffen;
- Niet-limitatieve lijst van voor de voortplanting giftige stoffen.
Gasdrukmeet- en regelstations
Bij de categorie indeling van de gasdrukmeet- en regelstations is aangesloten bij de indeling zoals deze is opgenomen in de NEN 1059.
Gevoelig object
Het begrip “gevoelig object” is een verzamelnaam voor gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen. De begrippen “gevoelige objecten”, “gevoelige gebouwen” en “gevoelige terreinen” worden gebruikt om die gebouwen en terreinen aan te wijzen die onder dit besluit beschermd worden ten aanzien van hinder veroorzaakt door onder andere geluid, geur en slagschaduw. Ten aanzien van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van hinder is het wenselijk en ligt het voor de hand dat voor de verschillende aspecten (zoals geluid en geurhinder) van dezelfde te beschermen objecten wordt uitgegaan. Gekozen is daarom om in dit Besluit één definitie voor de te beschermen objecten te hanteren en daarbij aan te sluiten bij de begrippen in de Wet geluidhinder. In een enkel geval waar dit niet mogelijk is gebleken is dit duidelijk in het betreffende artikel weergegeven.
Opslagtank
Opslagtanks kunnen stationair en mobiel zijn. Gezien de omschrijving van “opslag” in de Dikke van Dale (“een voorraad vormen van ...”) is er geen sprake van opslag indien er een chemische reactie of vermenging plaatsvindt. Alleen tanks waarin geen chemische reactie of vermenging plaatsvindt worden daarom beschouwd als opslagtanks. De grenzen van 150 en 300 liter geven het onderscheid tussen een tank en een verpakking. Voor vervoer volgens de ADR is ook een flexibele of stijve verpakking groter dan 300 liter toegestaan. Dit valt onder het begrip intermediate bulk container (IBC) en wordt niet als een tank maar als een verpakking beschouwt. Een IBC die voldoet aan het ADR is te herkennen aan een kenmerk dat conform hoofdstuk 6.5 van het ADR bestaat uit:
- het UN-verpakkingssymbool;
- de code van het type IBC volgens 6.5.1.4 beginnend met de cijfers 11, 13, 21 of 31, daarna een letter A voor staal, B voor aluminium, N voor ander metaal, H voor kunststof (bij combinatieverpakking H en de letter van de buitenverpakking), L voor textiel, M voor papier, G voor karton en C, D en F voor verschillende houtsoorten.
- een hoofdletter X, Y of Z om de verpakkingsgroepen aan te geven;
- de maand en laatste twee cijfers van het jaar van fabricage;
- de staat van toekenning van het kenmerk (aangeduid via het verkeerskenmerk);
- naam of merkteken van de fabrikant;
- de belasting in kilogram waarbij de stapelproef is uitgevoerd; en
- de grootste toelaatbare bruto massa in kilogram.
Het begrip verpakking wordt niet apart gedefinieerd. Daaronder valt in ieder geval een verpakking die voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg is toegelaten. Maar ook andere verpakkingen dan verpakkingen die zijn toegelaten voor het vervoer over de weg kunnen voorkomen. Voor alle verpakkingen die worden gebruikt voor gevaarlijke stoffen gelden de voorschriften in paragraaf 4.1.1 van het besluit en de regeling.
Vloeibare brandstof
De Wet op de accijns onderscheidt in artikel 26 verschillende soorten minerale olie aan de hand van internationaal vastgestelde UN-codes. De verschillende klassen zijn:
- methaan (bijvoorbeeld aardgas)
- vloeibaar gemaakt petroleumgas (bijvoorbeeld LPG)
- lichte olie (bijvoorbeeld benzine)
- halfzware olie (bijvoorbeeld kerosine en petroleum)
- gasolie (bijvoorbeeld diesel en huisbrandolie)
- zware stookolie.
Het begrip “vloeibare brandstof” wordt zo gedefinieerd dat alleen de klassen van stoffen die vloeibaar zijn bij atmosferische druk en gemiddelde buitentemperaturen er onder vallen, dit zijn lichte olie, halfzware olie en gasolie. Door aan te sluiten bij deze indeling is het onderscheid dat in de tot voor kort geldende besluiten gemaakt werd tussen vloeibare brandstoffen en brandbare vloeistoffen niet meer relevant.
Woning
Het uitgangspunt is dat het milieurecht is geschreven ter bescherming van het belang van het milieu en het ruimtelijke ordeningsrecht bevoegdheden geeft in verband met een goede ruimtelijke ordening. Bij illegale bewoning van een gebouw dient het bevoegd gezag te handhaven op grond van het ruimtelijk ordeningsrecht. Het kan echter voorkomen dat illegaal bewoonde gebouwen onbedoeld akoestisch worden
beschermd, omdat het bevoegd gezag het bestemmingsplan niet kan of wil handhaven. Vanwege de onwenselijkheid hiervan, zal evaluatie plaatsvinden van de betekenis van het begrip woning in verschillende wetten en besluiten. Dit onderzoek zal betrekking hebben op meer wetten en regels dan alleen dit besluit. Daarbij zal ook meegenomen worden de problemen van dienstwoningen en woningen op bedrijventerreinen.
Activiteitenbesluit toelichting Artikel 1.1
In dit artikel zijn de centrale begripsbepalingen opgenomen. Hieronder wordt een aantal van deze nog verder toegelicht.
Bevoegd gezag
Op grond van artikel 1.1 van de wet wordt onder “bevoegd gezag’ verstaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit. Daaronder valt ook het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet af te geven. Het begrip “bevoegd gezag” in dit besluit omvat mede dit begrip. Daarnaast wordt onder bevoegd gezag verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet af te geven. Daarmee wordt gedoeld op situaties waarin geen vergunning (meer) is vereist. Dit betekent dat voor inrichtingen die onder dit besluit vallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, in de regel het bevoegd gezag zijn. Voor lozingen die onder de Wvo vallen is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Op de bevoegdheidsverdeling tussen de Wm en de Wvo met betrekking tot lozingen wordt ingegaan in paragraaf 3.4.1 van het algemeen deel van de toelichting. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat indien in een voorkomend geval de provinciale staten het bevoegd gezag zijn en op grond van dit besluit het bijvoorbeeld mogelijk is om maatwerkvoorschriften op te stellen, ook hiervoor provinciale staten het bevoegd gezag zijn en dat deze bevoegdheid dus niet toekomt aan burgermeester en wethouders.
Inrichting type A, inrichting type B en inrichting type C
Het begrip inrichting is in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedefinieerd als elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Om onder de werking van dit besluit te vallen, moet de inrichting behoren tot een in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer genoemde categorie.
Inrichtingen met een gpbv-installatie (ook wel IPPC-inrichtingen) vallen buiten de reikwijdte van dit besluit (zie voor de relatie tussen dit besluit en de IPPC-richtlijn de algemene toelichting). Op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de wet is het verboden een dergelijke inrichting op te richten, te veranderen (of de werking daarvan te veranderen) en in werking te hebben zonder een vergunning. Dit besluit is niet van toepassing op IPPC-inrichtingen.
Drie typen inrichtingen vallen onder dit besluit (zie ook de algemene toelichting, paragraaf 3.3). Om te voorkomen dat er onduidelijkheid bestaat over welke voorschriften op welke inrichting van toepassing zijn, is onderscheid gemaakt tussen inrichtingen van het type A, B en C. In artikel 1.4 wordt vervolgens aangegeven aan welke voorschriften degene die een van deze typen inrichtingen drijft dient te voldoen.
Inrichting type A
Onder een inrichting type A wordt verstaan een inrichting die, behalve de in de begripsbepaling genoemde activiteiten, geen andere (deel)activiteiten, genoemd in de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit of in de ministeriële regeling, verricht. Wanneer de inrichting geen andere dan de in de begripsbepaling genoemde activiteiten verricht, bestaat de verwachting dat de inrichting dusdanig weinig milieurelevant is dat het niet nodig is dat deze inrichting zich meldt bij het bevoegd gezag. Zie hierover de toelichting bij artikel 1.4.
De criteria voor een inrichting type A zijn gebaseerd op de vraag wanneer een inrichting dermate geringe gevolgen voor het milieu heeft dat het bevoegd gezag alleen bij problemen hoeft te controleren en voor oprichting geen beoordeling van het bevoegd gezag nodig is. Dit geldt in het
algemeen zodra er een activiteit plaatsvindt waarvoor in hoofdstuk 3 of 4 voorschriften zijn gesteld, behalve als het om een zeer kleinschalige of relatief weinig milieubelastende activiteit gaat. Een belangrijk aandachtspunt naast de activiteiten van hoofdstuk 3 en 4 is het akoestisch onderzoek. Aangezien geluid alleen in hoofdstuk 2 van dit besluit geregeld is, zijn activiteiten waar geluid het enige relevante milieuaspect is, niet opgenomen in hoofdstuk 3 en 4. Om die reden zijn de criteria onder b tot en met d opgenomen. Dit zijn gevallen waarin het bevoegd gezag kan besluiten dat een akoestisch rapport bij de melding gevoegd moet worden. In onderdeel e is daarnaast toegevoegd dat geen koelinstallatie met meer dan 30 kilogram koudemiddel aanwezig mag zijn. Het criterium van 30 kilogram is ontleend aan de Regeling lekdichtheid koelinstallaties die is gebaseerd op het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003. De koudemiddelinhoud van een koelinstallatie staat vermeld in de bij die installatie behorende gebruiksaanwijzing. De gebruiksaanwijzing moet bij de installatie aanwezig zijn volgens die regeling. Door de grens van 30 kilogram hoeft er bij simpele koelinstallaties bij slagers, horeca en koelcellen bij instellingen nog niet gemeld te worden maar wel voor grote koelinstallaties in supermarkten, koel- en vriespakhuizen en de procesindustrie. Een akoestisch rapport vooraf kan nodig zijn bij dergelijke grote installaties vanwege de condensors. Er wordt een opsomming gegeven van 1-10 van (deel)activiteiten uit hoofdstuk 3 en 4 die niet hoeven te worden
gemeld. Het gaat dan om activiteiten of installaties waarvoor geen of alleen zeer algemene voorschriften gelden. Bij het inwerking hebben van een noodstroomaggregaat is toegevoegd dat dit aggregaat maximaal 50 uur per jaar in bedrijf mag zijn. 50 Uur is meer dan voldoende voor stroomstoringen en proefruns. Als een inrichting een noodstroomaggregaat langer wil gebruiken, bijvoorbeeld om pieken in het elektriciteitsgebruik te scheren, is een aanvullende beoordeling door het bevoegd gezag nodig. Aangezien noodstroomaggregaten niet de meest schone, stille en zuinige dieselmotoren bevatten, is in die gevallen een melding nodig zodat het bevoegd gezag kan beoordelen of maatwerkvoorschriften nodig zijn voor het aggregaat. Een noodstroom aggregaat hoeft niet gemeld te worden als in het aggregaat een geïntegreerde opslag van diesel zit.
Inrichting type B
Een inrichting type B betreft een inrichting waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet is vereist. Hieronder vallen de inrichtingen die voorheen volledig vielen onder één van de 8.40-besluiten (oude stijl), die door dit besluit zijn vervallen. Maar ook inrichtingen die bijvoorbeeld activiteiten met betrekking tot metaal verrichten, welke nieuw in dit besluit zijn gereguleerd, zijn een inrichting type B, voor zover ze geen IPPC-inrichtingen zijn en niet genoemd worden in de bijlage bij dit besluit.
In de begripsbepaling van inrichting type B is expliciet aangegeven dat een dergelijke inrichting niet ook een inrichting type A of inrichting C kan zijn. Het is derhalve niet mogelijk dat een inrichting tegelijkertijd een inrichting van meerdere types is.
Inrichting type C
De inrichtingen type C betreffen de inrichtingen die activiteiten verrichten waarvoor dit besluit voorschriften bevat, maar waarop eveneens hetzij een vergunning, hetzij het Besluit landbouw milieubeheer of (een deel van) het Besluit glastuinbouw van toepassing is. In het Besluit landbouw
milieubeheer zijn algemene regels opgenomen voor landbouwinrichtingen. Het Besluit landbouw milieubeheer zal mogelijk tezijnertijd in dit besluit worden opgenomen. Ook op de inrichtingen die onder het Besluit glastuinbouw vallen zijn de voorschriften uit hoofdstuk 3 van toepassing. Dit geldt
zowel voor de vergunningplichtige (glastuinbouwbedrijf type A, zie artikel 2, onderdeel b, van het Besluit glastuinbouw) als voor de niet-vergunningplichtige (glastuinbouwbedrijven type B, zie artikel 2, onderdeel c, van het Besluit glastuinbouw) glastuinbouwbedrijven. De vergunningplichtige glastuinbouwbedrijven vallen onder de beschrijving ‘inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de wet’. Om ook de glastuinbouwbedrijven type B onder dit besluit te laten vallen is in de begripsbepaling opgenomen dat deze inrichtingen behoren tot inrichting type C.
Via onderstaand stroomschema is na te gaan met wat voor type inrichting men van doen heeft.
Is er sprake van een inrichting als bedoeld in art. 1.1 Wm?
Ja: ga door
Nee: geen inrichting
Is de gebezigde bedrijfsmatige activiteit beschreven in het Ivb:
Ja: ga door
Nee: geen inrichting
Is er sprake van een gpbv-installatie (Europese IPPC-richtlijn) ?
Ja: Het Activiteitenbesluit is geheel niet van toepassing, voor de inrichting moet een milieuvergunning aangevraagd worden.
Nee: ga door
Wordt uw inrichting genoemd in Bijlage 1 van het Activiteitenbesluit?
Ja: Dan is er sprake van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 8.1 Wm en betreft uw inrichting een zogenaamde "Type C" inrichting (art 1.2 van het Activiteitenbesluit).
Nee: Ga door
Viel uw inrichting voorheen onder een van de voormalige 8.40 AMvB's of de metalectro industrie? Dan valt de inrichting met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid onder het Activiteitenbesluit als inrichting "Type B" (art 1.2). De voorschriften voor dergelijke inrichtingen zijn grotendeels onveranderd. Ook door verhoging van normering of vervallen van uitsluitingen en het vervallen van het 'in hoofdzaak-criterium' kunnen voorheen vergunningplichtige inrichtingen onder het activiteitenbesluit vallen als inrichting "Type B".
Slechts enkele Besluiten zijn niet vervallen na de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit:
Besluit landbouw milieubeheer
Besluit Glastuinbouw
Besluit mestbassins
Een glastuinbouwinrichting valt ook onder het Activiteitenbesluit als het een type B bedrijf betreft. Een glastuinbouwinrichting type A is vergunningplichtig in het kader van het Activiteitenbesluit en betreft een inrichting "Type C".
Maatwerkvoorschrift
In artikel 8.42 van de Wm is de term “nadere eis” vervangen door het ruimere “voorschriften”. Het kan bij daarbij zowel gaan om nadere voorschriften als in een voorkomend geval om afwijkende voorschriften. Deze voorschriften worden in dit besluit geduid als maatwerkvoorschriften. Om daarmee tot uitdrukking te brengen dat het hierbij gaat om het maatwerk dat noodzakelijk is wanneer gewerkt wordt met algemene regels. In het gros van de gevallen zullen de algemene regels volstaan, echter in het enkele geval dat de algemene regels niet passend zijn zal er de mogelijkheid moeten zijn voor maatwerk. Deze mogelijkheid is dus opgenomen in de vorm van maatwerkvoorschriften. In de definitie bepaling van de term “maatwerkvoorschrift” is tot uitdrukking gebracht dat het hier gaat om de voorschriften als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de wet. De maatwerkvoorschriften kunnen twee verschijningsvormen hebben, namelijk een ambtshalve beschikking waarbij het bevoegd gezag aanvullende eisen stelt (onderdeel a) dan wel een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden (onderdeel b). Uit de aard van de bepaling waarin de bevoegdheid tot het stellen van
maatwerkvoorschriften is opgenomen wordt duidelijk welke verschijningsvormen het maatwerkvoorschrift in het desbetreffende geval kan hebben.
Het stellen van aanvullende eisen kan ook inhouden dat er bij maatwerkvoorschrift een nadere invulling wordt gegeven aan een bepaling, zoals dat het geval is in artikel 2.1, derde lid, waardoor bij maatwerkvoorschrift nadere invulling kan worden gegeven aan de zorgplicht. Ook in artikel 2.11, tweede lid, gaat het om een nadere invulling. Een ander voorbeeld van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in onderdeel a is artikel 2.14. In dat
artikel is opgenomen dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen met betrekking tot het als grondstof inzetten van een afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof of textiel voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof of textiel, indien de eigenschappen van de afvalstof afwijken van de gangbare grondstof.
Een voorbeeld van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in onderdeel b van de begripsomschrijving vormt het maatwerkvoorschrift op grond van het derde lid van artikel 2.2. In dat artikellid is opgenomen dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift kan bepalen dat het eerste en tweede lid van dat artikel niet van toepassing zijn en dat lozen in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van het afvalwater daartegen niet verzet. Ook in artikel 2.20, zesde lid, is een maatwerkvoorschrift als bedoeld in onderdeel b opgenomen.
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van de waarden bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19, bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting andere waarden vaststellen. In artikel 3.1, zevende lid, is de mogelijkheid opgenomen om maatwerkvoorschriften op te nemen die zowel een maatwerkvoorschrift als bedoeld in onderdeel a als in onderdeel b kunnen inhouden.
Vergunning
Vergunning is gedefinieerd als de vergunning op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de wet, waarbij “de wet” staat voor de Wet milieubeheer. In dit besluit wordt ook van vergunning gesproken indien sprake is van een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Indien van het laatste sprake is, is dit expliciet in de betreffende artikelen vermeld.
Artikel 1.3
Ten behoeve van het vrij verkeer van goederen en diensten binnen de Europese Unie regelt dit artikel de wederzijdse erkenning van goederen die elders op rechtmatige wijze zijn vervaardigd en in de handel gebracht, en de wederzijdse erkenning van keuringsverklaringen en beroepseisen. Zo is in een aantal voorschriften van dit besluit bepaald dat een onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerde instantie. Mede in het kader van de wederzijdse erkenning van instellingen, is in deze voorschriften ruimte geboden dat het onderzoek wordt uitgevoerd door een ten minste gelijkwaardige instelling, een instelling die aantoonbaar over ten minste gelijkwaardige vaardigheden beschikt, of door een geaccepteerd deskundige.
Van de wederzijdse erkenning moet worden onderscheiden het gelijkwaardigheidsbeginsel uit artikel 1.8. Het gelijkwaardigheidsbeginsel beoogt de toepassing van alternatieve middelen mogelijk te maken. De wederzijdse erkenning daarentegen beoogt de ongehinderde toepassing van buiten Nederland vervaardigde producten te garanderen.