Besluit Bodemkwaliteit - hoofdstuk 2 - Kwaliteit van uitvoering - afd. 2
AFDELING 2. VERBODEN EN VERPLICHTINGEN
Artikel 15
1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren zonder daartoe verleende erkenning.
2. De in artikel 9, tweede lid bedoelde handelingen kunnen slechts worden uitgevoerd door een natuurlijke persoon die staat vermeld op de erkenning.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover de werkzaamheid wordt uitgevoerd voor het verkrijgen van een certificaat of een accreditatie.
Artikel 16
Het is een persoon of instelling verboden een resultaat van een werkzaamheid te gebruiken of aan een ander ter beschikking te stellen indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit resultaat, gelet op het doel waarvoor dit wordt gebruikt, geen betrouwbaar beeld verschaft van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof.
Artikel 17
1. Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een bij ministeriële regeling aangewezen handeling met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of bouwstof, waarop deze instelling of persoon een persoonlijk of zakelijk recht heeft.
2. Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een bij ministeriële regeling aangewezen handeling ten aanzien van een persoon, een stof, een bouwstof, een product, een installatie, een voorziening of ander object, waarmee deze instelling of persoon een organisatorische, financiële of juridische binding heeft, tenzij deze binding alleen voortvloeit uit de overeenkomst tot uitvoering van de werkzaamheid.
3. Het eerste lid geldt niet voor degene die door middel van organisatorische maatregelen, op aantoonbare, transparante en controleerbare wijze, ervoor zorg heeft gedragen dat de werkzaamheid uitsluitend wordt verricht door een onderdeel van de organisatie dat of een persoon die:
- geen financieel belang heeft bij de uitkomst van de werkzaamheid;
- onder een andere bestuurlijke verantwoordelijkheid valt dan degene die een persoonlijk of zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof, en
- onder de directe aansturing van een andere leidinggevende valt dan degene die een persoonlijk of zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof.
4. Indien een normdocument eisen bevat ten aanzien van organisatorische maatregelen als bedoeld in het derde lid voldoet de persoon of instelling die voor de desbetreffende werkzaamheid is erkend aan het derde lid, indien hij aan het normdocument voldoet.
Artikel 18
1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren in strijd met het daarvoor geldende normdocument.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover het afwijken van het normdocument bij wettelijk voorschrift is toegestaan.
Artikel 19
De houder van een erkenning meldt onverwijld aan een door Onze Ministers aangewezen instantie zijn door de rechtbank uitgesproken faillissement of surseance van betaling. De melding geschiedt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.
Artikel 20
Een certificeringsinstelling of de Raad voor Accreditatie meldt een schorsing of intrekking van een certificaat, onderscheidenlijk een accreditatie, voor een werkzaamheid onverwijld aan een door Onze Ministers aangewezen instantie. De melding geschiedt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.
Artikel 21
1. Een bestuursorgaan neemt een aanvraag om een beschikking, die bij of krachtens wettelijke voorschriften wordt gegeven, niet in behandeling indien daarbij gegevens zijn gevoegd die afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.
2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.1, 8.4 en 8.49 van de Wet milieubeheer, en de artikelen 29, eerste lid, en 39, tweede lid, 39b, 39c, tweede lid, 39d, derde lid, en 40, tweede lid, van de Wet bodembescherming.
Artikel 22
1. Het is een ieder verboden om, ter voldoening aan bij of krachtens wettelijke voorschriften, gegevens te verstrekken aan een bestuursorgaan, indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat deze gegevens afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.
2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, de artikelen 2a tot en met 2d van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de artikelen 6 tot en met 12, 27, eerste lid, 39, eerste en vierde lid, 39b, tweede lid, onderdelen b en c, 70 en 72 van de Wet bodembescherming.