Architecten en Milieu-adviseurs
datebrief
 

Activiteitenbesluit - afdeling 3.3 - artikel 3.17 t/m 3.44 - Voorzieningen

  • Aangemaakt door admin op 27 Sep 2011
  • Laatst aangepast door admin op 22 Okt 2011

Afdeling 3.3 Voorzieningen


§ 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer

Artikel 3.17

Deze paragraaf is van toepassing op een inrichting waarbij sprake is van het afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer voorzover geen aflevering plaatsvindt met een pomp die zich onder het vloeistofniveau in een ondergrondse tank bevindt.

Artikel 3.18

  1. De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer die aardgas als motorbrandstof gebruiken bevindt zich op een afstand van ten minste 10 meter van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Indien per etmaal meer dan 300 personenauto’s worden gevuld, bedraagt deze afstand 15 meter. Indien per etmaal meer dan 100 autobussen worden gevuld, bedraagt deze afstand 20 meter. De bufferopslag bevindt zich op een afstand van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zoals aangegeven in tabel 3.18.

    Tabel 3.18

    Waterinhoud bufferopslag

    Afstand

    Minder dan 3000 liter

    10 meter

    Vanaf 3000 tot 5000 liter

    15 meter

    Meer dan 5000 liter

    20 meter


  2. Een aardgas-afleverinstallatie voor het afleveren van aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan.

Artikel 3.19

  1. Het afleveren van vloeibare brandstoffen en mengsmering ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer voldoet ten behoeve van:
    1. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen; en
    2. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

    Artikel 3.20

  2. Het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer ten behoeve van openbare verkoop geschiedt via een systeem voor dampretour Stage-II. Deze verplichting geldt niet voor:
    1. het afleveren van lichte olie met een maximale afleversnelheid van 10 liter per minuut of minder; en
    2. het afleveren van lichte olie met mengsmering met een maximale afleversnelheid van 45 liter per minuut of minder.
  3. Het gebruikte systeem voor dampretour Stage-II moet ten minste 75% van de uit de brandstofreservoirs van de motorvoertuigen verdreven dampen naar de ondergrondse opslagtank terugvoeren.
  4. Een systeem voor dampretour Stage-II:
    1. is goedgekeurd overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands Meetinstituut door een keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd op grond van NEN-EN-ISO/IEC 17020; en
    2. voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan.
  5. Een systeem voor dampretour Stage-II wordt voor ingebruikname en daarna eenmaal per drie jaar gecontroleerd op de goede werking. Deze controle moet overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands Meetinstituut plaatsvinden door een onafhankelijke inspectie-instelling.
  6. Indien tijdens de uitvoering van de in het vierde lid bedoelde controle afwijkingen worden geconstateerd worden deze afwijkingen onverwijld opgeheven.

Artikel 3.21

  1. OOp plaatsen waar brandstof wordt afgeleverd, die metaalhoudende additieven bevat, wordt op een label aangegeven hoeveel metaalhoudende additieven de betrokken brandstof bevat. Dit label bevat in elk geval de tekst: Bevat metaalhoudende additieven. Het wordt duidelijk zichtbaar bevestigd op de plaats waar de informatie over de brandstofsoort is aangegeven en is van zodanige afmetingen en van een zodanig lettertype dat het duidelijk zichtbaar en gemakkelijk leesbaar is.
  2. Op of direct bij een afleverzuil die bestemd is voor het afleveren van brandstof die voor meer dan 5% bestaat uit ethanol, wordt duidelijk zichtbaar de volgende tekst vermeld: Deze brandstof bevat meer dan 5% biobrandstoffen en is niet geschikt voor motorvoertuigen die voor het gebruik daarvan niet zijn uitgerust.
  3. Indien op een afleverpunt van brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer de doorzet aan lichte olie 500 of meer kubieke meter per jaar bedraagt, is ten minste één afleverpunt aanwezig van lichte olie waaraan ten hoogste 5% ethanol is toegevoegd.

Artikel 3.22

  1. Degene die de inrichting drijft neemt de resultaten van de metingen, keuringen en controles aan installaties of installatieonderdelen die op grond van artikel 3.20 worden verricht, op in een installatieboek.
  2. Het installatieboek bevat voor zover van toepassing tevens:
    1. eeen plattegrond op een schaal van ten minste één op tweehonderdvijftig aanduidende de uit- en inwendige samenstelling van de inrichting en toebehoren;
    2. alle bewijzen van gecertificeerde of geaccrediteerde aanleg en inspectie die op grond van dit besluit uitgevoerd worden.
  3. De resultaten van de metingen, keuringen en controles worden in ieder geval tot het beschikbaar zijn van de resultaten van de eerstvolgende meting, keuring dan wel controle, maar ten minste drie jaar opgenomen in het installatieboek.
  4. Het installatieboek wordt in de inrichting bewaard en ter inzage beschikbaar gehouden voor het bevoegd gezag.
  5. Het vierde lid is niet van toepassing op een onbemand tankstation, in welk geval het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift de locatie bepaalt waar het installatieboek wordt bewaard.

Artikel 3.23

  1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop het afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer plaatsvindt, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
  2. Het afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
  3. Het gehalte aan olie in het afvalwater na de afscheider bedraagt niet meer dan 200 milligram per liter in enig steekmonster.
  4. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

§ 3.3.2 Het wassen van motorvoertuigen

Artikel 3.23a

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan.
  2. Deze paragraaf is niet van toepassing op landbouwinrichtingen, glastuinbouwbedrijven en op inrichtingen type C die zijn bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van landbouwhuisdieren.
  3. Deze paragraaf is niet van toepassing op het inwendig reinigen van tanks en tankwagens en het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen.

Artikel 3.24

Bij het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 3.25

  1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan worden gewassen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
  2. HHet afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
    1. 20 milligram olie per liter;
    2. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
    <il>In afwijking van het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.</il>
  3. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

§ 3.3.3 Tandheelkunde

Artikel 3.26

Ten behoeve van het verwijderen van amalgaam wordt bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van tandheelkundige bewerkingen het amalgaamhoudend afvalwater geleid door een amalgaamafscheider, die voldoet aan de eisen gesteld in NEN-EN-ISO 11143.

§ 3.3.4 Opslaan van propaan

Artikel 3.27

Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarbij sprake is van het opslaan van propaan indien:

  1. het opslaan van propaan geschiedt in opslagtanks elk met een inhoud van maximaal 13 kubieke meter;
  2. niet meer dan twee opslagtanks binnen de inrichting aanwezig zijn; en
  3. propaan uitsluitend in de gasfase aan een opslagtank wordt onttrokken behoudens het leegmaken van een opslagtank voor verplaatsing.

Artikel 3.28

  1. Met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen worden ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de in tabel 3.28 opgenomen afstanden in acht genomen, waarbij de afstanden gelden van het vulpunt en de opslagtank, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij de opslagtank:

    Tabel 3.28 Veiligheidsafstanden
     

    Bevoorrading tot en met 5 keer per jaar

    Bevoorrading meer dan 5 keer per jaar

    Opslagtank met propaan tot en met 5 kubieke meter

    10 meter

    20 meter

    Opslagtank met propaan groter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter

    15 meter

    25 meter


  2. Een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen is gelegen op ten minste de helft van de afstanden, genoemd in tabel 3.28, indien het objecten betreft waar ook een opslagtank met propaan of propeen aanwezig is.
  3. In afwijking van het eerste lid worden met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, dan wel gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, de volgende afstanden in acht genomen:
    1. bij een opslagtank met propaan tot en met 5 kubieke meter: 25 meter;
    2. bij een opslagtank met propaan van meer dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter: 50 meter.
  4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, voldoet een opslagtank met propaan alsmede de bijbehorende leidingen en appendages ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§ 3.3.5 Opslaan van vloeibare brandstof en afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks

Artikel 3.29

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vloeibare brandstof en afgewerkte olie in ondergrondse tanks van metaal of kunststof van maximaal 150 kubieke meter.

Artikel 3.30

Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een ondergrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van vloeibare brandstof of afgewerkte olie wordt ten behoeve van:

  1. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
  2. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
  3. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§ 3.3.6 Opslaan en overslaan van goederen

Artikel 3.31

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het op- en overslaan van inerte goederen.
  2. Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op een inrichting type B bij:
    1. het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.3.4, 3.3.5, 3.3.7, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7;
    2. het composteren van groenafval.
  3. Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op een inrichting type C bij:
    1. het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.3.4, 3.3.5, 3.3.7, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7, bij:
      1. een autodemontagebedrijf;
      2. een zuiveringtechnisch werk, of
      3. een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet;
    2. het lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het op- en overslaan van andere goederen dan inerte goederen.
  4. Bij ministeriële regeling worden goederen aangewezen welke in ieder geval worden aangemerkt als inerte goederen.

Artikel 3.32

Goederen worden in de buitenlucht zodanig op- of overgeslagen dat:

  1. zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is;
  2. verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt;
  3. zoveel mogelijk wordt voorkomen dat goederen in een oppervlaktewaterlichaam geraken;
  4. zoveel mogelijk wordt voorkomen dat goederen in een voorziening voor het beheer van afvalwater geraken.

Artikel 3.33

  1. Het in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen, is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
  2. Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats indien het lozen, bedoeld in het eerste lid, redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
  3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de bescherming van het milieu met betrekking tot het lozen, bedoeld in het eerste lid, bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen lagere emissiegrenswaarden vaststellen.
  4. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
  5. Indien de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

Artikel 3.34

  1. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met negende lid.
  2. Indien opgeslagen goederen als bedoeld in het eerste lid worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met die goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
  3. Het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat in contact is geweest met goederen als bedoeld in het eerste lid waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, is toegestaan indien in enig steekmonster de emissiegrenswaarden, vermeld in tabel 3.34, niet worden overschreden.


  4. Tabel 3.34

    Parameter

    Emissiegrenswaarde

    Chemisch zuurstof verbruik

    200 milligram per liter

    Onopgeloste stoffen

    300 milligram per liter

    Som zware metalen (som van arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink)

    1 milligram per liter

    Minerale olie

    20 milligram per liter

    PAK’s (som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen)

    50 microgram per liter

    Extraheerbaar organisch chloor

    5 microgram per liter

    Totaal stikstof

    10 milligram per liter

    Fosfor

    2 milligram per liter

  5. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het lozen, bedoeld in het derde lid, bij maatwerkvoorschrift hogere emissiegrenswaarden vaststellen, voor zover het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
  6. Het bevoegd gezag kan in belang van bescherming van het milieu met betrekking tot het lozen, bedoeld in het derde lid, bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen lagere emissiegrenswaarden vaststellen.
  7. Het lozen van afvalwater, bedoeld in het derde lid, in een vuilwaterriool is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
  8. Het lozen van afvalwater dat in contact is geweest met goederen als bedoeld in het eerste lid waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken in een vuilwaterriool is toegestaan indien enig steekmonster niet meer bevat dan:
    1. 20 milligram olie per liter;
    2. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
  9. In afwijking van het zevende lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
  10. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het derde tot en met achtste lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
  11. Bij ministeriële regeling worden goederen aangewezen die voor de toepassing van deze paragraaf in ieder geval worden aangemerkt als goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken.

Artikel 3.35

  1. Het boven een oppervlaktewaterlichaam opslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, vindt niet plaats, tenzij het opslaan benedendeks plaatsvindt op een binnenschip.
  2. Indien goederen, niet zijnde inerte goederen, boven een oppervlaktewaterlichaam aanwezig zijn, wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 3.36

  1. Bij het opslaan en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
  2. Bij het opslaan en overslaan van bederfelijke afvalstoffen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van geurhinder voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 3.37

  1. Bij de volgende windsnelheden vinden afhankelijk van de stuifgevoeligheid van de goederen, behorend tot de stuifklassen volgens bijlage 4.6 van de NeR, geen overslagactiviteiten plaats:
    1. S1 en S2 bij een windsnelheid groter dan 8 meter per seconde;
    2. S3 bij een windsnelheid groter dan 14 meter per seconde.
  2. Indien degene die de inrichting drijft aantoont dat door het treffen van maatregelen verspreiding en morsing van losse goederen ten gevolge van de weersomstandigheden wordt voorkomen kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift het eerste lid niet van toepassing verklaren en overslagactiviteiten bij grotere windsnelheden dan aangegeven in het eerste lid onder voorwaarden toestaan. Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op de toe te passen maatregelen om verspreiding of morsing van goederen te voorkomen of op hogere maximale windsnelheden dan genoemd in het eerste lid, waarboven overslag niet meer is toegestaan.

Artikel 3.38

  1. Het opslaan en mengen van goederen behorend tot stuifklassen S1 of S3 van bijlage 4.6 van de NeR vindt plaats in gesloten ruimtes.
  2. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen in gesloten ruimtes de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
    1. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
    2. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
  3. Bij pneumatisch transport van stuifgevoelige goederen behorend tot stuifklasse S1 of S2 van bijlage 4.6 van de NeR is de emissie van totaal stof uit een container, bulktransportwagen of ander transportmiddel niet hoger dan 10 milligram per normaal kubieke meter.

Artikel 3.39

Bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen in gesloten ruimtes worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissie en om het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht te bevorderen ten minste de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Artikel 3.40

  1. Bij het voldoen aan artikel 3.32, onder a en b, wordt de opslag van asbesthoudende afvalstoffen bij een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet ten minste overeenkomstig artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 uitgevoerd.
  2. In afwijking van artikel 2.9, zijn de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer van overeenkomstige toepassing op het opslaan van vaste mest en het composteren van groenafval, afgedragen gewas of bloembollenafval.

§ 3.3.7 Het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten

Artikel 3.41

Deze paragraaf is van toepassing op:

  1. het demonteren van autowrakken;
  2. het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken;
  3. het opslaan van bij het demonteren van autowrakken en het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken vrijkomende afvalstoffen, en
  4. het neutraliseren van airbags en gordelspanners.

Artikel 3.42

Bij de activiteiten, bedoeld in artikel 3.41, wordt ten behoeve van:

  1. een doelmatig beheer van afvalstoffen;
  2. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico's voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, en
  3. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 3.43

  1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het ontsteken van airbags en gordelspanners de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
    1. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
    2. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
  2. Bij het ontsteken van airbags en gordelspanners worden ten behoeve van het voorkomen dan wel het beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Artikel 3.44

  1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het demonteren van autowrakken wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
  2. Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
    1. 20 milligram olie per liter;
    2. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
  3. In afwijking van het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
  4. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.


 
 

agentschap.nl

 

SIKB nieuws


 
 
Pagina gegenereerd in 1.95 seconden.