Architecten en Milieu-adviseurs
datebrief
 

Activiteitenbesluit - afdeling 3.1 - artikel 3.1 t/m 3.6b - Afvalwaterbeheer

  • Aangemaakt door admin op 27 Sep 2011
  • Laatst aangepast door admin op 22 Okt 2011

Hoofdstuk 3 Bepalingen met betrekking tot activiteiten in inrichtingen, tevens geldend voor inrichtingen type C

Afdeling 3.1 Afvalwaterbeheer

§ 3.1.1 Lozen van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering

Artikel 3.1

  1. Deze paragraaf is van toepassing op een saneringsonderzoek en een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming. Bij het lozen van grondwater vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek of vanuit een bodemsanering wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het negende lid.
  2. Het lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan, indien bij het lozen:
    1. geen visuele verontreiniging plaatsvindt;
    2. et gehalte aan naftaleen in enig steekmonster ten hoogste 0,2 microgram per liter bedraagt;
    3. het gehalte aan PAK’s in enig steekmonster ten hoogste 1 microgram per liter bedraagt; en
    4. in enig steekmonster de emissiewaarden van de in dit artikel opgenomen tabel 3.1a niet worden overschreden.

    Tabel 3.1a

     Stoffen   Emissiegrenswaarde
     BTEX-som  50 microgram per liter
     Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor  20 microgram per liter
     Aromatische organohalogeenverbindingen  20 microgram per liter
     Minerale olie  500 microgram per liter
     Naftaleen  0,1 microgram per liter
     PAK’s  0,003 microgram per liter
     Cadmium  4 microgram per liter
     Kwik  1 microgram per liter
     Koper  11 microgram per liter
     Nikkel  41 microgram per liter
     Lood  53 microgram per liter
     Zink  120 microgram per liter
    Chroom  24 microgram per liter
     Onopgeloste bestanddelen  50 milligram per liter

  3. Het lozen, in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam, is toegestaan, indien bij het lozen:
    1. geen visuele verontreiniging plaatsvindt;
    2. het gehalte aan naftaleen in enig steekmonster ten hoogste 0,2 microgram per liter bedraagt;
    3. het gehalte aan PAK's in enig steekmonster ten hoogste 1 microgram per liter bedraagt; en
    4. in enig steekmonster de emissiewaarden van de in dit artikel opgenomen tabel 3.1b niet worden overschreden.


    Tabel 3.1b

     Stoffen   Emissiegrenswaarde
    Benzeen   2 microgram per liter
    Tolueen
     7 microgram per liter
    Ethylbenzeen
     4 microgram per liter
    Xyleen   4 microgram per liter
    PER
     3 microgram per liter
    Trichlooretheen  20 microgram per liter
    1,2-dichlooretheen  20 microgram per liter
    1,1,1, -trichloorethaan   20 microgram per liter
     Vinylchloride   8 microgram per liter
     Som van de vijf hierboven staande stoffen   20 microgram per liter
     Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor  20 microgram per liter
     Monochloorbenzeen  7 microgram per liter
     Dichloorbenzenen   3 microgram per liter
     Trichloorbenzenen
     1 microgram per liter
     Minerale olie  50 microgram per liter
     Naftaleen  0,01 microgram per liter
     PAK’s  0,0003 microgram per liter
     Cadmium  0,4 microgram per liter
     Kwik 0,1 microgram per liter
     Koper  1,1 microgram per liter
     Nikkel  4,1 microgram per liter
     Lood  5,3 microgram per liter
     Zink  12 microgram per liter
    Chroom  2,4 microgram per liter
     Onopgeloste bestanddelen  20 milligram per liter

  4. Het lozen op of in de bodem is toegestaan indien het gehalte aan stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan de streefwaarden in tabel 1 van de bijlage bij de circulaire bodemsanering 2009.
  5. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool is verboden.
  6. Indien lozen als bedoeld in het eerste lid in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk is:
    1. is, in afwijking van het vijfde lid, het lozen vanuit een proefbronnering in het vuilwaterriool toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter;
    2. kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepassing verklaren en het lozen vanuit een bodemsanering in een vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van het afvalwater niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
  7. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift afwijken van:
    1. de gehalten aan naftaleen en PAK’s, bedoeld in onderdelen b en c van het tweede en het derde lid, de emissiewaarden, bedoeld in onderdeel d van het tweede en het derde lid en de streefwaarden, bedoeld in het vierde lid, en hogere waarden of gehalten bepalen, indien genoemde waarden of gehalten niet door toepassing van beste beschikbare technieken kunnen worden bereikt en het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen het lozen met een hogere waarde of een hoger gehalte;
    2. de gehalten aan naftaleen en PAK’s, bedoeld in onderdelen b en c van het tweede en het derde lid, en lagere waarden bepalen, indien het belang van de bescherming van het milieu tot het stellen van een lagere waarde noodzaakt;
    3. de waarden bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, en lagere waarden bepalen indien vanuit een voorziening bedoeld in dat lid geloosd wordt in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam, of op of in de bodem en het belang van bescherming van het milieu noodzaakt tot het stellen van een lagere waarde.
  8. De lagere gehalten, bedoeld in het zevende lid, onderdeel c, worden niet lager vastgesteld dan:
    1. de waarden opgenomen in tabel 3.1b, indien geloosd wordt in een oppervlaktewaterlichaam;
    2. de streefwaarden, bedoeld in het vierde lid, indien geloosd wordt op of in de bodem.
  9. Het te lozen grondwater, bedoeld in het eerste lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

§ 3.1.2 Lozen van grondwater bij ontwatering

Artikel 3.2

  1. Bij het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het tiende lid.
  2. Het lozen op of in de bodem is toegestaan.
  3. Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien:
    1. het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt; en
    2. als gevolg van het lozen geen visuele verontreiniging optreedt.
  4. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het lozen, bedoeld in het derde lid, bij maatwerkvoorschrift afwijken van:
    1. het gehalte, genoemd in dat lid en een hoger gehalte vaststellen, indien genoemd gehalte niet door toepassing van beste beschikbare technieken kan worden bereikt en het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen met een hoger gehalte verzet; en
    2. bepalen dat visuele verontreiniging mag optreden, indien visuele verontreiniging niet door toepassing van beste beschikbare technieken kan worden voorkomen en het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen het lozen, waarbij visuele verontreiniging optreedt.
  5. Het lozen, in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan indien het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt en het ijzergehalte in enig steekmonster ten hoogste 5 milligram per liter bedraagt.
  6. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot lozen als bedoeld in het vijfde lid bij maatwerkvoorschrift of verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer afwijken van:
    1. de gehalten, bedoeld in dat lid en hogere gehalten vaststellen, indien eerstgenoemde gehalten niet door toepassing van beste beschikbare technieken kunnen worden bereikt en het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen het lozen met een hoger gehalte;
    2. het ijzergehalte, bedoeld in dat lid en een lager ijzergehalte bepalen, indien het belang van bescherming van het milieu tot het stellen van een lager gehalte noodzaakt.
  7. Het lozen, in een vuilwaterriool is verboden, tenzij:
    1. het lozen ten hoogste 8 weken duurt;
    2. de geloosde hoeveelheid ten hoogste 5 kubieke meter per uur bedraagt; en
    3. het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt.
  8. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de tijdsduur en de hoeveelheid, bedoeld in het zevende lid bij maatwerkvoorschrift of bij verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer andere waarden stellen.
  9. Het te lozen grondwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
  10. De per tijdseenheid geloosde hoeveelheid grondwater kan voor de toepassing van het zevende lid op een doelmatige wijze worden bepaald.

§ 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 3.3

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:
    1. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening als bedoeld in artikel 2.9;
    2. geen hemelwater is waarop de artikelen 3.33 en 3.34 van toepassing zijn.
  2. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan.
  3. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

§ 3.1.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 3.4

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater en het behandelen van dit afvalwater voorafgaand daaraan. Het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem is toegestaan indien het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
    1. 40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
    2. 100 meter bij meer dan 10 doch minder dan 25 inwonerequivalenten;
    3. 600 meter bij 25 doch minder dan 50 inwonerequivalenten;
    4. 1500 meter bij 50 doch minder dan 100 inwonerequivalenten; en
    5. 3000 meter bij 100 tot en met 200 inwonerequivalenten.
  2. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
    1. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en
    2. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
  3. Indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, minder bedraagt dan de afstanden, genoemd in dat lid, kan het bevoegd gezag indien het belang van de bescherming van de bodem of de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toestaan:
    1. voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van het vuilwaterriool of het zuiveringtechnisch werk reeds bestaande zuiveringsvoorziening; of
    2. indien voor een deel van het huishoudelijk afvalwater dat vrijkomt binnen de inrichting waarvan de vervuilingswaarde niet groter is dan 3 inwonerequivalenten aansluiting op de bedrijfsriolering die op een vuilwaterriool is aangesloten niet doelmatig is, waarbij kan worden bepaald dat het afvalwater door een zuiveringsvoorziening wordt geleid.

Artikel 3.5

  1. Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende grenswaarden niet overschreden:

    Tabel 3.5

    <thead class="thead" valign="bottom">
     

    Lozen op of in de bodem en in oppervlaktewateren die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven

    Lozen in overige oppervlaktewateren

    Parameter

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstof verbruik

    30 milligram per liter

    60 milligram per liter

    20 milligram per liter

    40 milligram per liter

    Chemisch zuurstof verbruik

    150 milligram per liter

    300 milligram per liter

    100 milligram per liter

    200 milligram per liter

    Totaal stikstof

       

    30 milligram per liter

    60 milligram per liter

    Ammoniumstikstof

       

    2 milligram per liter

    4 milligram per liter

    Zwevend stof

    30 milligram per liter

    60 milligram per liter

    30 milligram per liter

    60 milligram per liter

    Fosfor totaal

       

    3 milligram per liter

    6 milligram per liter

  2. Bij lozen op of in de bodem wordt het huishoudelijk afvalwater op een zodanige wijze geloosd, dat de nadelige gevolgen voor het milieu zo veel mogelijk worden beperkt.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op een lozing van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten indien het afvalwater is geleid door een zuiveringsvoorziening die voldoet aan bij ministeriële regeling bepaalde eisen.
  4. Het bevoegd gezag kan, bij lozen in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam, indien het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt bij maatwerkvoorschrift de eisen bedoeld in het derde lid niet van toepassing verklaren en daarbij bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een aangegeven zuiveringsvoorziening dient te worden geleid.
  5. In afwijking van het eerste lid, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn bij maatwerkvoorschrift bepalen dat bij het lozen niet aan de in dat lid genoemde waarden behoeft te worden voldaan. Het bevoegd gezag kan daarbij:
    1. andere waarden vaststellen;
    2. bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een aangegeven zuiveringsvoorziening dient te worden geleid.
  6. Het te lozen huishoudelijk afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

§ 3.1.4a Behandeling van stedelijk afvalwater

Artikel 3.5a

  1. Deze paragraaf is van toepassing op zuiveringtechnische werken, voor zover het de waterlijn betreft met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.

Artikel 3.5b

  1. De geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk is ter plaatse van geurgevoelige objecten niet meer dan 0,5 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel.
  2. In afwijking van het eerste lid is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk ter plaatse van geurgevoelige objecten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een bedrijventerrein danwel buiten de bebouwde kom, niet meer dan 1 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel.
  3. Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt bij een zuiveringtechnisch werk voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 3.5c

  1. De geurbelasting, bedoeld in artikel 3.5b, eerste en tweede lid, en artikel 6.19b, tweede tot en met vijfde lid, wordt bepaald volgens de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 3.5d

  1. In afwijking van artikel 2.9 worden bij het ontwerp, de aanleg en het gebruik van het gedeelte van de waterlijn, vanaf het ontvangstwerk tot de selector of beluchtingstank, alsmede van het gedeelte van het zuiveringtechnisch werk waar slibontwatering, opslag en leidingwerk met primair slib plaatsvindt, bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen getroffen waarmee een aanvaardbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.
  2. De bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen over de goede werking van die voorzieningen en maatregelen, en over de controle van die eisen alsmede aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen over de mogelijkheid om bodemverontreiniging te kunnen signaleren en indien nodig te herstellen.

§ 3.1.5 Lozen van koelwater

Artikel 3.6

  1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het zevende lid.
  2. Het lozen van koelwater waaraan geen chemicaliën zijn toegevoegd in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan indien de warmtevracht niet meer bedraagt dan:
    1. 1000 Kilojoule per seconde, indien het een aangewezen oppervlaktewaterlichaam betreft;
    2. 10 Kilojoule per seconde, indien het een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam betreft.
  3. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van:
    1. het lozingsdebiet van koelwater in kubieke meter per seconde;
    2. het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam in graden Celsius;
    3. de warmtecapaciteit van het koelwater hetgeen gelijk is aan 4190 Kilojoule per kubieke meter per graad temperatuursverhoging.
  4. Het bevoegd gezag kan indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het tweede lid niet van toepassing verklaren en het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht dan bedoeld in het tweede lid of waaraan in beperkte mate chemicaliën zijn toegevoegd toestaan.
  5. ndien het lozen, bedoeld in het tweede lid, een temperatuurstijging zou veroorzaken die tot beperking van de warmtevracht noodzaakt, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor de warmtevracht lagere waarden vaststellen dan bedoeld in het tweede lid.
  6. Het lozen van koelwater als bedoeld in het tweede lid vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats indien het lozen van dat koelwater in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
  7. De warmtevracht van een lozing van koelwater kan op een doelmatige wijze worden bepaald, dan wel door degene die de inrichting drijft aannemelijk worden gemaakt.

§ 3.1.6 Lozen ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten

Artikel 3.6a

  1. Bij het lozen ten gevolge van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan vaste objecten wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
  2. Indien bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, lozen in een oppervlaktewaterlichaam kan plaatsvinden, worden bij ministeriële regeling aangegeven maatregelen getroffen om het in dat oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen, die bij de werkzaamheden worden gebruikt dan wel van het vast object vrijkomen, te voorkomen dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. Indien voorkomen redelijkerwijs niet mogelijk is, is na het treffen van maatregelen bedoeld in de eerste volzin lozen in een oppervlaktewaterlichaam toegestaan.
  3. Het lozen in een vuilwaterriool is verboden, tenzij het lozen betreft als bedoeld in het vierde lid.
  4. Bij reinigingswerkzaamheden, die periodiek worden uitgevoerd en waarbij uitsluitend vuilafzetting wordt verwijderd, is het lozen van reinigingswater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater en op of in de bodem toegestaan.
  5. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift afwijken van het derde lid en het lozen ten gevolge van gevelreiniging en graffitiverwijdering in een vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van het afvalwater niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.6b

  1. Bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van sloop-, renovatie- of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
  2. Het lozen, dat gelet op de locatie van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet kan worden voorkomen, is toegestaan.
  3. Bij de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden maatregelen getroffen om het lozen te voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. De maatregelen worden beschreven in een werkplan.


 
 

agentschap.nl

 

SIKB nieuws


 
 
Pagina gegenereerd in 0.66 seconden.