Architecten en Milieu-adviseurs
30-jul-2010
 

Besluit Bodemkwaliteit - hoofdstuk 1 - algemene bepalingen

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN


Artikel 1

(Toelichting)
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
  • Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan chemische stoffenvoor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;
  • Accreditatie: bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon of instelling competent is voor het uitvoeren van de desbetreffende werkzaamheid;
  • Baggerspecie: materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voordat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter;
  • Bodembeheergebied: aaneengesloten, door het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 44, 45 of 46, afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer waterkwaliteitsbeheerders;
  • Bodemfuncties: gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater, zoals dat is vastgesteld door de gemeenteraad, overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling;
  • Bodemfunctieklassen: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van bodemfuncties in de categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid;
  • Bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast;
  • Certificaat: verklaring waarmee een door Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkende certificeringsinstelling kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon voldoet aan het voor de certificering geldende normdocument;
  • Erkende kwaliteitsverklaring: schriftelijke verklaring die is afgegeven door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning, waarin wordt verklaard dat de bijbehorende partij die afkomstig is van een persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis van een nationale Beoordelingsrichtlijn, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit, mits toegepast op de in de verklaring aangegeven wijze;
  • Erkenning: beschikking van Onze Ministers waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens dit besluit geldende voorwaarden;
  • Fabrikant-eigenverklaring: schriftelijke verklaring, afgegeven door de producent van een bouwstof, grond of baggerspecie, waarin deze verklaart dat de bijbehorende partij voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit. Uit de verklaring blijkt op welke wijze is vastgesteld dat de partij voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen;
  • Grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie;
  • IBC-bouwstof: bouwstof die vanwege de mate van emissie alleen met isolatie-, beheers-, en controlemaatregelen mag worden toegepast;
  • Instelling: certificeringsinstelling, inspectie-instelling, laboratorium of andere instelling met rechtspersoonlijkheid, die beoordeelt of een persoon, een stof, een product, een installatie, een voorziening of een ander object overeenstemt met een normdocument;
  • Interventiewaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die aangeven dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet bodembescherming;
  • Isolatie, beheers- en controlemaatregelen: maatregelen waardoor bij toepassing van een bouwstof nagenoeg geen contact optreedt van die bouwstof met hemelwater en grondwater;
  • Kwaliteitsklasse: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling in categorieën van de kwaliteit van de bodem, grond of baggerspecie;
  • Landbouwbedrijf: bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Meststoffenwet;
  • Milieuhygiënische verklaring:
    1. voor bouwstoffen, grond of baggerspecie: partijkeuring, fabrikant-eigenverklaring of erkende kwaliteitsverklaring, en
    2. voor grond, baggerspecie of de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast: verklaring omtrent de milieuhygiënische kwaliteit van een specifieke partij of de bodem, die is afgegeven op basis van een kaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid of een bij regeling van Onze Ministers aangewezen normdocument of onderzoeksprotocollen;
  • Normdocument: een voor een werkzaamheid op grond van artikel 25 aangewezen beoordelingsrichtlijn, protocol of andere richtlijn, code, aanbeveling of norm die of dat eisen bevat ter bevordering van de kwaliteit van werkzaamheden of de uitvoering daarvan;
  • Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
  • Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 14 van toepassing is;
  • Parameter: chemische stof of een fysische eigenschap;
  • Partij: identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van vergelijkbare milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als geheel te worden verhandeld of toegepast;
  • Partijkeuring: schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het besluit kan worden toegepast en hoe dit is vastgesteld;
  • Persoon: natuurlijk persoon of rechtspersoon;
  • Raad voor Accreditatie: de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht;
  • Toepassen van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder “het toepassen van bouwstoffen in oppervlaktewater” mede verstaan het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater;
  • Toepassen van grond of baggerspecie: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, het houden van de aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie in die toepassing, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater mede verstaan het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem onder oppervlaktewater;
  • Vestigingsplaats: adres en woonplaats van een persoon of adres en woonplaats waar een instelling zetelt;
  • Vormgegeven bouwstof: bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50 cm3?, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft;
  • Waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
  • Werk: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins functionele toepassing van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of het dempen van oppervlaktewater en het ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen.
  • Werkzaamheid: een bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen handeling als bedoeld in artikel 11.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, die wordt uitgevoerd met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of bouwstoffen.

Artikel 2

(toelichting)
1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 3 en de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de bouwstoffen worden toegepast het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een bouwstof toepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater.

2. Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting te verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat andere orgaan het bevoegd gezag, tenzij er sprake is van een toepassing als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet.

3. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een bouwstof toepast in oppervlaktewater.

4. Onze Minister is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die de handelingen, genoemd in artikel 28, eerste lid, aanhef, verricht, met uitzondering van het toepassen van bouwstoffen.

Artikel 3

(toelichting)
1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 4 en de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, wordt toegepast, het bevoegd gezag.

2. Indien grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, wordt toegepast binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd gezag is of zou zijn, is dat andere orgaan het bevoegd gezag.

3. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag voor degene die grond of baggerspecie toepast in oppervlaktewater.

Artikel 4

(toelichting)
1. Onze Minister treft de noodzakelijke voorzieningen voor een doelmatig toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, na afstemming met de bestuursorganen, bedoeld in het tweede tot en met derde lid, voorzover het daar andere bestuursorganen dan Onze Minister betreft. De voorzieningen hebben betrekking op de strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de handhavingsbevoegdheden.

2. Ingeval van toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een of meer bodembeheergebieden, waarvoor meerdere bestuursorganen bevoegd gezag zijn, wordt door de desbetreffende bestuursorganen één bevoegd gezag aangewezen dat namens de betrokken bestuursorganen zorgdraagt voor een gecoördineerd toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen.

3. Burgemeester en wethouders hebben tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben op:
  1. het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater;
  2. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 35;
  3. het verstrekken van een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 28, derde lid;
  4. het melden van een toepassing als bedoeld in de artikelen 32 en 42.

4. Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op:
  1. het in opdracht aanbrengen van bouwstoffen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater;
  2. het in opdracht verrichten van de handelingen, genoemd in artikel 35, op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater.

5. Aan de artikelen 28, derde lid, 32, eerste en tweede lid, 42, eerste, negende en elfde lid, en 58, eerste lid, wordt geacht te zijn voldaan, indien door één van de daartoe verplichte personen aan de desbetreffende verplichting is voldaan.

Artikel 5

(toelichting?)
1. Dit besluit is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor zover:
  1. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing;
  2. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt; en
  3. ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

2. De verboden, bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, gelden niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater die voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

3. Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit waarbij wordt afgeweken van de bepalingen van dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. In afwijking van de artikelen twee en drie zijn Onze Minister respectievelijk de Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag.

Artikel 6

Het stellen van regels als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onder b, 30, eerste en tweede lid, en 31, tweede lid, en het toetsen aan de maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid, 46, 55, tweede lid, 57, eerste lid, 60, eerste lid en 63, eerste lid, onderdeel a, onder i, geschiedt met inachtneming van de voorwaarde dat toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

Artikel 7

Degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Artikel 8

1. Degene die ingevolge de bij of krachtens dit besluit gestelde regels onderzoek dient te verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen als bedoeld in artikel 71 van de Wet bodembescherming.

2. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, verstrekt bij het verzoek de volgende gegevens:
  1. zijn naam en adres;
  2. de naam en het adres van de rechthebbenden;
  3. de plaats waar het onderzoek zal plaatsvinden;
  4. de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen onderzoek, en
  5. de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het onderzoek moeten nalaten.