Architecten en Milieu-adviseurs
30-jul-2010
 

Regeling Bodemkwaliteit - Hoofdstuk 3 - Bouwstoffen - Paragraaf 3.9. Isolatie-, beheers- en controlemaatregelen


Artikel 3.9.1. Ontwerp

1. Van het werk waarin een IBCbouwstof wordt toegepast, wordt een ontwerp gemaakt dat bestaat uit:
  1. een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de artikelen 3.9.2 tot en met 3.9.4;
  2. een situatietekening, langs- en dwarsdoorsneden;
  3. een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de aandachtspunten, zoals aangegeven in bijlage I, onder ‘checklist ontwerp’, en
  4. een berekening van de zetting die optreedt bij het gereedkomen van het werk en na vijftig jaar.
2. Het werk wordt ontworpen op de eindzetting die wordt berekend voor een periode van vijftig jaar, vermeerderd met een onzekerheidsmarge van 30% van de berekende zetting.

3. Een IBC-bouwstof wordt toegepast in aaneengesloten hoeveelheden van ten minste 5.000 m3.

4. Het in het eerste lid genoemde ontwerp moet worden goedgekeurd door een daartoe deskundig bedrijf.

Artikel 3.9.2. Isolerende voorzieningen

1. De bovenzijde en zijkanten van een IBC-bouwstof worden binnen drie maanden nadat een laag van de IBCbouwstof is aangebracht, voorzien van
een isolerende voorziening die bestaat uit:
  1. een bentonietmat;
  2. een laag zandbentonietpolymeergel, of
  3. een kunststof HDPE-folie met een laagdikte van 2 mm en voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld in de in bijlage D genoemde normdocumenten.

2. De isolerende voorziening heeft een maximaal toegestane lekkage van 6 mm per jaar bij de 0,2 meter waterdruk gedurende 200 dagen per jaar en heeft een levensduur van minimaal 100 jaar.

3. De isolerende voorziening, bedoeld in het eerste lid onder a of b, wordt beschermd tegen aantasting door de IBC-bouwstof door een diffusieremmende laag van bitumenemulsie in een hoeveelheid van 4 kg/m2 of door kunststoffolie volgens de voorschriften in de daarvoor geldende normdocumenten en werkvoorschrift, bedoeld in bijlage D.

4. Indien de isolerende voorziening, bedoeld in het eerste lid onder a of b, wordt toegepast in een wegenbouwkundige constructie, wordt deze beschermd tegen aantasting door strooizouten door kunststoffolie, volgens de voorschriften in de daarvoor geldende normdocumenten, bedoeld in bijlage D.

5. Indien een IBC-bouwstof als wegfunderingsmateriaal wordt toegepast, functioneert in afwijking van het eerste lid de vloeistofdichte wegverharding, aangelegd volgens de voorschriften in de daarvoor geldende normdocumenten, bedoeld in categorie 1 van bijlage C, als
isolerende voorziening. Overeenkomstig de schone-schouderconstructie, bedoeld in CROW-publicatie 125, wordt hierbij een bouwstof, niet-zijnde een IBCbouwstof, aangebracht onder de randen van de wegverharding over een breedte gelijk aan de dikte van de IBC-bouwstof in de fundering en met een minimumbreedte van 0,30 meter.

6. Indien een IBC-bouwstof als funderingsmateriaal onder bebouwing wordt toegepast, functioneert, in afwijking van het eerste lid, de vloeistofdichte bebouwing inclusief de randbalken van de bebouwing als isolerende voorziening. De constructie waarin een IBCbouwstof
wordt toegepast, wordt zodanig ontworpen dat infiltrerend regenwater zonder stagnatie wordt afgevoerd door:
  1. een doorlatende afdeklaag op de afdichting;
  2. een zodanig afschot dat deze na de eindzetting, bedoeld in artikel 3.9.1, tweede lid, ten minste 2% dakprofiel bedraagt, en
  3. een bodem waarin het afstromende water voldoende kan infiltreren.

8. De materialen, bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid, worden zodanig gekozen en toegepast dat deze gedurende de levensduur van het werk volledig hun functie kunnen vervullen.

9. Een tijdelijke isolerende voorziening wordt aangebracht, indien:
  1. de in het eerste lid genoemde termijn niet wordt gehaald;
  2. gedurende ten minste zeven dagen in het werk geen IBC-bouwstoffen worden aangebracht of verwijderd.

10. Voor de tijdelijke isolerende voorziening geldt bij toepassing en beheer de maximaal toegestane lekkage bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.9.3. Drooglegging

1. Het ontwerppeil van het grondwater wordt vastgesteld op het niveau van het maaiveld door een daartoe deskundig bedrijf. Indien de IBC-bouwstof wordt toegepast in een gebied, dat wordt gekenmerkt door grondwatertrap VI of hoger, kan in afwijking van het eerste lid het ontwerppeil van het grondwater worden vastgesteld door:
  1. de grondwaterstand te bepalen ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil in de dichtstbijzijnde peilbuis van een landelijk meetnet die in 99% van de waarnemingen wordt onderschreden;
  2. een representatief aantal peilbuizen te plaatsen op de toepassingslocatie en gedurende ten minste drie maanden de grondwaterstand te meten ten opzichte van NAP op of rond de 14e en 28e dag van de maand, en
  3. de grondwaterstand, bedoeld onder a, te vermeerderen met het verschil tussen de gemiddelde grondwaterstand op de toepassingslocatie en die, bedoeld onder a,tenzij het verschil negatief is.

2. Indien de grondwaterstand op de toepassingslocatie voor de duur van het werk wordt gekenmerkt door een aantoonbaar beheerst regime van het oppervlaktewater, wordt het daarbij horende grondwaterpeil, vermeerderd met een zekerheidsmarge van 0,20 meter, aangehouden als het ontwerppeil van het grondwater. Het op de toepassingslocatie te verwachten grondwaterpeil wordt onderbouwd door middel van een
grondwatermodellering.

3. Bij de vaststelling, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt rekening gehouden met wateroverlast die zich vaker kan voordoen dan eens in de honderd jaar en met de verwachte klimaatontwikkeling tot 50 jaar na afronding van het werk

4 De onderzijde van de IBC-bouwstof wordt op een zodanige wijze aangelegd, dat deze na de eindzetting, bedoeld in artikel 3.9.1, tweede lid, ten minste 0,50 meter boven het ontwerppeil van het grondwater ligt en er geen contact is met het grondwater als gevolg van capillaire opstijging uit het grondwater.

Artikel 3.9.4. Beheers- en controlemaatregelen

1. Voor het monitoren van de stand en de kwaliteit van het grondwater worden peilbuizen aangebracht. Het aantal peilbuizen tot 50.000 m3 IBC-bouwstof bedraagt ten minste één bovenstrooms en twee benedenstrooms van het werk.

2. Per 50.000 m3 IBC-bouwstof extra wordt hieraan ten minste één peilbuis bovenstrooms en twee benedenstrooms toegevoegd.

3. Voor het monitoren van de zetting tijdens de aanleg van het werk worden voorzieningen aangebracht.

4. Een beheers- en controleplan wordt opgesteld, dat een omschrijving bevat van:
  1. de manier waarop tijdens de aanleg en het gebruik van het werk wordt voldaan aan de beheers- en controlemaatregelen;
  2. de manier waarop geconstateerde afwijkingen worden afgehandeld;
  3. de manier waarop de in bijlage I onder de checklist beheer opgenomen aspecten, worden beheerd en gecontroleerd, en de controlewerkzaamheden, genoemd in de artikelen 3.9.7 en 3.9.8.


5. Het beheers- en controleplan moet worden goedgekeurd door een daartoe deskundig bedrijf.

Artikel 3.9.5. Nulonderzoek

1. Alvorens de IBC-bouwstof wordt toegepast, wordt een nulonderzoek uitgevoerd op de bodem, inclusief het
grondwater, volgens het daarvoor geldende protocol, bedoeld in bijlage D, sub II.
2. Het nulonderzoek bestaat uit veldwerk en analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek van de daaruit verkregen monsters.


Artikel 3.9.6. Uitvoering

1. De isolerende voorzieningen worden conform ontwerp aangebracht door een daartoe deskundig bedrijf.

2. Bij de uitvoering van het werk zijn afwijkingen ten opzichte van het ontwerp als bedoeld in artikel 3.9.1 uitsluitend toegestaan, indien deze:
 a. minimaal een gelijkwaardige milieubescherming bieden als het ontwerp;
 b. voor het toepassen worden gemeld aan Onze Minister, en
 c. zijn goedgekeurd volgens het daarvoor geldende toetsingskader bedoeld in bijlage D door een daartoe deskundig bedrijf.

3. Degene die de IBC-bouwstof heeft toegepast, meldt het gereedkomen van het werk, alsmede afwijkingen van het ontwerp als bedoeld in artikel 3.9.1 ingeval die bij een latere controle blijken, binnen veertien dagen aan Onze Minister.

4. Degene die de IBC-bouwstof heeft toegepast bewaart en registreert voor de levensduur van het werk ten minste:
 a. een overzicht van het ontwerp;
 b. de afwijkingen ten opzichte van het ontwerp;
 c. een tekening van de uiteindelijke situatie,
en
 d. andere gegevens waaruit kan worden afgeleid of is voldaan aan de gestelde eisen.

Artikel 3.9.7. Controle zetting

1. Degene die de bouwstof toepast meet vanaf het moment dat de eerste laag IBC-bouwstof wordt aangebracht tot de voltooiing van het werk, de zetting daarvan.

2. Bij het gereedkomen van het werk wordt de gemeten zetting vergeleken met de berekende zetting, bedoeld in artikel 3.9.1, eerste lid, onder d en, voor zover deze verschillen, wordt de berekende eindzetting, bedoeld in artikel 3.9.1, tweede lid, bijgesteld.

3. Indien uit de bijgestelde berekende eindzetting blijkt dat niet wordt voldaan aan artikel 3.9.3, eerste lid, meldt de toepasser dit binnen veertien dagen aan Onze Minister.

Artikel 3.9.8. Controle grondwater

1. Vanaf het moment dat de eerste laag IBC-bouwstof wordt aangebracht, wordt:

 a. de afstand tussen de onderkant van de IBC-bouwstof en het grondwater jaarlijks gecontroleerd door middel van veldwerk ter vaststelling van de grondwaterstand in de periode dat deze maximaal is en de hoogteligging van de onderkant van de IBC-bouwstof;
 b. de kwaliteit van het grondwater eenmaal in de twee jaar bepaald door middel van veldwerk waarbij het grondwater wordt bemonsterd en geanalyseerd;
 c. de staat waarin het werk verkeert jaarlijks gecontroleerd aan de hand van de checklist in bijlage I door een daartoe deskundig bedrijf.

2. De resultaten van de controle, bedoeld in het vorige lid, worden elke twee jaar gemeld aan Onze Minister.
Indien sprake is van een afwijking wordt dit direct aan Onze Minister gemeld.

3. Indien na drie jaar is gebleken dat de in het eerste lid onder a genoemde afstand nooit kleiner is geweest dan 1,0 meter, vervalt de betreffende controleverplichtingen.

4. Indien na zes jaar is gebleken dat de kwaliteit van het grondwater niet is gewijzigd, kan met instemming van het bevoegd gezag de frequentie van de verplichting bedoeld in het eerste lid, onder b, worden verlaagd.

Artikel 3.9.9. Signalering afwijkingen en vereiste maatregelen

Indien controlewerkzaamheden aantonen dat een toepassing van een IBCbouwstof niet voldoet aan de daaraan
gestelde eisen of negatieve effecten heeft, worden terstond maatregelen getroffen. Hiervoor wordt een plan van
aanpak opgesteld, dat wordt aangeboden aan Onze Minister.

Artikel 3.9.10. Verwijderen IBC-bouwstof

1. Indien een isolerende voorziening wordt verwijderd, wordt de IBC bouwstof dat niet meer is afgedicht binnen zes weken volledig verwijderd. Hierbij geldt artikel 3.9.2, negende lid, onder b.

2. Indien een werk of deel van een werk waarin een IBC-bouwstof is toegepast is verwijderd, wordt de bodemkwaliteit onderzocht volgens het daarvoor geldende protocol , bedoeld in bijlage D, sub II.

3. Uiterlijk binnen twee maanden na het verwijderen van de IBC-bouwstof, wordt Onze Minister in kennis gesteld
van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid.

4. Indien bij het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, een bodemverontreiniging aantoont als gevolg van het toepassen van de IBC-bouwstof, wordt de oorspronkelijke bodemkwaliteit hersteld, zoals die is vastgesteld op grond van artikel 3.9.5.

5. Het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit veldwerk en analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek van de daaruit verkregen monsters van de bodem.