Besluit Bodemkwaliteit - hoofdstuk 5 - Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 65
1. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming wordt ingetrokken, met dien verstande dat de intrekking voor gedeelten van dat besluit op verschillende tijdstippen kan geschieden welke tijstippen nader worden bepaald in het besluit tot inwerkingtreding van het besluit bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 83, eerste lid.
2. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming blijft van toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie.
Artikel 66
1. Het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer wordt ingetrokken, met uitzondering van artikel 21, met dien verstande dat in dat artikel in plaats van Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, wordt gelezen: Besluit bodemkwaliteit.
2. Hoofdstuk 2 van dit besluit is niet van toepassing op:
a. een werkzaamheid die voor inwerkingtreding van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer is aangevangen;
b. een werkzaamheid die wordt verricht ter uitvoering van een wettelijke taak door of in opdracht van een bestuursorgaan, of
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Artikel 67
Het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning wordt als volgt gewijzigd:
A
Paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning komt te luiden:
e. Een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid dat is gebaseerd op onderzoek uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe op grond van het Besluit bodemkwaliteit is erkend.
B
Paragraaf 3.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning komt te luiden:
e. Artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet verplicht gemeenten in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften hebben op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet onder meer betrekking op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Op hoofdlijnen weergegeven is deze verplichting door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten als volgt uitgewerkt in de artikelen 2.1.5 en 2.4.1 van de Modelbouwverordening (Mbv). Het onderzoek dient te bestaan uit de resultaten van een verkennend onderzoek, verricht volgens NEN 5740, bijlage B (uitgave 1999), waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog dient te bestaan uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993). Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 dient te worden uitgevoerd (ook wel historisch onderzoek genoemd) ten behoeve van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. De aanwezigheid van asbest in de bodem kan daarbij worden onderzocht door aan het vooronderzoek volgens NEN 5740 een onderzoek volgens NEN 5707 (indien de bodem en grond minder dan 20% puin bevat) respectievelijk NEN 5897 (indien de bodem en grond 20% of meer puin bevat) te koppelen. Indien het vooronderzoek uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Indien de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van de verontreiniging een nader onderzoek onontkoombaar is, dient nader onderzoek volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek (SDU, uitgave 1995) te worden verricht.
De bouwvergunningaanvrager hoeft niet altijd een bodemonderzoeksrapport aan te leveren. Op grond van artikel 8, derde lid, van de Woningwet is een bodemonderzoeksrapport alleen voorgeschreven voor bouwwerken voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning nodig is, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist of een geval als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van die wet, en waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zijn, mits dat bouwwerk de grond raakt of sprake is van een verandering van het niet-wederrechtelijke gebruik. Maar ook dan is een bodemonderzoeksrapport niet altijd vereist: burgemeester en wethouders kunnen hiervan, op grond van artikel 2.1.5 van de Mbv, namelijk nog ontheffing verlenen.
Wanneer een bodemonderzoeksrapport is vereist, dient dat rapport op grond van paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van deze bijlage te zijn gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Laatstgenoemd besluit bevat eisen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden in het bodembeheer. Personen en instellingen die bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden, waaronder het uitvoeren van bodemonderzoek, uitvoeren, dienen daartoe te zijn erkend door de Ministers van
VROM en Verkeer en Waterstaat. Een voorwaarde voor erkenning is het bezit van een certificaat of een accreditatie. Bovendien dienen deze personen en instellingen bij de uitvoering te voldoen aan eisen die onder meer zijn neergelegd in beoordelingsrichtlijnen en protocollen.
Voor het geval een bodemonderzoeksrapport dient te worden aangeleverd maar het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat artikel 2.1.5 Mbv het voorschrift dat het bodemonderzoek dient plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Dit brengt met zich dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoeksrapport tot de bescheiden die op grond van onderdeel 3 van paragraaf 1.5 van deze bijlage eerst na indiening van de aanvraag om bouwvergunning doch uiterlijk drie weken voor de aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden mogen worden aangeleverd. Voorwaarde voor latere indiening van het onderzoeksrapport is dat burgemeester en wethouders met die latere
indiening instemmen. Op basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet kan het tijdstip van latere indiening door hen zo nodig in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd.
Artikel 68
A
Categorie 28.3, onderdeel c van bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer komt te luiden:
c. inrichtingen voor zover het betreft toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is en waarin wordt gehandeld in overeenstemming met de bepalingen van dat besluit;
Onderdeel f vervalt onder vernummering van onderdeel g tot f.
B
Categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer, onderdeel a, onder 3°, komt te luiden:
3°. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde grond, waaronder begrepen verontreinigde baggerspecie, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.10 m3 of meer.
Artikel 69
Het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:
A
in artikel 1 vervallen de aanduidingen van nationale beoordelingsrichtlijn
onderhoudsspecie klasse 0
onderhoudsspecie klasse 1
onderhoudsspecie klasse 2
verspreiden en de daarbijbehorende begripsomschrijvingen.
B
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:
- sprake is van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit;
2. De onderdelen c, d en e vervallen.
3. Onderdeel f komt te luiden:
f. dit geschiedt overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit in een werk waarin avi-bodemas wordt gebruikt als bouwstof indien deze;
- niet meer dan 5,5% onverbrand vliegas bevat,
- niet is vermengd met avi-vliegas, en
- ten minste zes weken opgeslagen is voor het gebruik in een werk tenzij de avi-bodemas eerder is gebruikt in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, of in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Besluit bodemkwaliteit;
4. Het tweede lid komt te luiden:
- Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing met betrekking tot de in dat lid aangegeven handelingen met gevaarlijke afvalstoffen.
5. Het derde lid komt te luiden:
- Het eerste lid, onder a, is evenmin van toepassing met betrekking tot de in dat lid bedoelde handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie waarvoor het in artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt.
6. Het vierde lid vervalt.
7. Het vijfde lid komt te luiden:
- Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing met betrekking tot de in dat lid bedoelde handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie waarvoor het in artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt, met uitzondering van:
- categorie 19, voorzover het betreft granulaat en de categorieën 20, 21 en 24;
- de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van grond of baggerspecie.
C
Artikel 3 vervalt.
D
Artikel 4a vervalt
Artikel 70
Het
Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 3, tweede lid, komt te luiden;
- Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen, voorzover deze worden toegepast als bouwstof, grond of baggerspecie overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, behorende tot:
- categorie 19, voor zover het betreft granulaat, de categorieën 20, 21 en 24;
- de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van grond of baggerspecie.
B
Aan artikel 11e wordt een lid toegevoegd, luidende:
- Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, aan een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor de opslag in oppervlaktewater van baggerspecie niet zijnde een gevaarlijke afvalstof als bedoeld in de Wet milieubeheer het voorschrift verbinden dat de opslag is toegestaan voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Artikel 71
Het Besluit financiële bepalingen bodemsanering wordt als volgt gewijzigd:
Na artikel 7 wordt in Hoofdstuk 2 een artikel ingevoegd, luidende:
-
-
- 7a
- Het bedrag, bedoeld in artikel 76o, eerste lid, onder a, van de wet, bedraagt € 0,45.
- Als maximum, bedoeld in artikel 76o, tweede lid, van de wet, geldt een bedrag van € 226 890,11.
- Het eerste en tweede lid werken terug tot en met 1 januari 2006.
Artikel 72
Het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 5, onderdeel l, wordt vervangen door:
- bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien zijn van een overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde regels afgegeven erkende kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat zij voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, of artikel 30, eerste lid, van dat besluit en die worden toegepast in een voorziening, die op grond van de voor de inrichting verleende vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, binnen de inrichting is aangebracht;
- grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien is van een overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde regels afgegeven erkende kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat de kwaliteit van de grond de maximale waarde voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van dat besluit, niet overschrijdt en die wordt toegepast in een voorziening, die op grond van de voor de inrichting verleende vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, binnen de inrichting is aangebracht.
Artikel 73
Het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 vervalt.
B
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:
- Indien het bevoegde gezag naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging.
Artikel 74
Onderdeel c van de Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt als volgt gewijzigd:
A
In Kolom 2 van activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te luiden:
- . baggerspecie van klasse B als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en
B
Onderdeel D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt als volgt gewijzigd:
In Kolom 2 van activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te luiden:
- . Het storten of opslaan van baggerspecie van klasse B als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit in een hoeveelheid van 250.000 m3 of meer,
Artikel 75
Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft van toepassing op het houden van bouwstoffen, waaronder grond en baggerspecie in een werk, indien de bouwstoffen voor dat tijdstip in het betreffende werk waren toegepast.
Artikel 76
De Vrijstellingsregeling grondverzet blijft van toepassing indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor het gebied waarop of waarin de grond wordt gebruikt een bodemkwaliteitskaart is vastgesteld krachtens die regeling, voor de duur waarvoor de bodemkwaliteitskaart geldt met een maximum van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 77
Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor partijkeuringen, erkende kwaliteitsverklaringen en andere bewijsmiddelen, die krachtens het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, zoals dat gold op het tijdstip van inwerkingtreding, zijn afgegeven, van toepassing voor de duur van de desbetreffende verklaring, maar ten hoogste voor drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 78
Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor maximaal drie jaar na dat tijdstip van toepassing, indien voor dat tijdstip een melding krachtens artikel 11, eerste lid, 18, tweede lid,of 21, tweede lid, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming is gedaan en binnen een half jaar na dat tijdstip is begonnen met de toepassing.
Artikel 79
1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft geldig, indien voor dat tijdstip, dan wel uiterlijk een half jaar na dat tijdstip een vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer of artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, voor de duur van de vergunning maar ten hoogste voor drie jaar na dat tijdstip.
2. Voorzover een vergunning op grond van artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren betrekking heeft op een handeling als bedoeld in artikel 35, onder g, vervalt het desbetreffende deel van de vergunning.
3. In afwijking van het tweede lid vervallen de voorschriften van een vergunning waarbij verspreidingsvakken worden aangewezen een half jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 80
Op het toepassen van tarragrond blijft de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond gedurende twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing.
Artikel 81
Indien het bij koninklijke boodschap van 21 mei 2007 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet verontreiniging zeewater en enige andere wetten, kamerstukken II, 2006/07, 31 049, nr. 1 nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit voor het toepassen van grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee, op hetzelfde tijdstip in werking.
Artikel 82
Onze Minister zendt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.
Artikel 83
1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan of het toepassen of toepassingen, als bedoeld in artikel 35, verschillend kan worden vastgesteld.
2. Artikel 36 van de Wet bodembescherming treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 1 in werking treedt.
Artikel 84
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bodemkwaliteit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,