Architecten en Milieu-adviseurs
datebrief
 

Regeling Bodemkwaliteit - Bijlage M - Eisen opstellen kaarten actuele kwaliteit van de bodem en de bodem onder oppervlaktewate

  • Aangemaakt door admin op 26 Okt 2008
  • Laatst aangepast door admin op 22 Okt 2011

Bijlage M. , behorende bij artikel 4.3.5 en 4.8.2

Eisen opstellen kaarten actuele kwaliteit van de bodem en de bodem onder oppervlaktewater

1. Algemene randvoorwaarden

1. Locaties waarvan bekend is of verwacht wordt dat ze verontreinigd zijn als gevolg van een puntbron, zijn geen onderdeel van de kaart van de actuele kwaliteit van de bodem. Deze locaties worden van de kaart uitgesloten, door in de bodemkwaliteitskaart een kaartlaag op te nemen waarin alle locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging en alle bekende verontreinigde locaties worden weergegeven.

2. In de kaart van de actuele bodemkwaliteit wordt ten minste de bodemkwaliteit van de toplaag van 0 tot 0,5 meter beneden maaiveld of oppervlaktewaterniveau vastgelegd.

3. In de kaart van de actuele bodemkwaliteit worden ten minste de stoffen opgenomen als bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, van de Regeling bodemkwaliteit.

4. In afwijking van het derde, is voor kaarten van de actuele kwaliteit van de bodem voor rijkswateren artikel 4.5.1, tweede lid van de regeling van toepassing. Voorzover een stoffenpakket voor de rijkswateren is vastgesteld, worden ten minste de stoffen van het stoffenpakket voor de rijkswateren opgenomen in kaarten van de actuele bodemkwaliteit van de rijkwateren.

5. De kaart van de actuele bodemkwaliteit wordt voorzien van een toelichting, waarin wordt omschreven hoe de kaart tot stand is gekomen, en de inhoudelijke en beleidsmatige keuzes die daarbij zijn gemaakt.

2. Aanvullende randvoorwaarden voor kaarten van de actuele kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater

1. Een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater kan worden opgesteld voor gebieden waarvan het aannemelijk is, dat de ruimtelijke indeling in bodemkwaliteitszones niet verandert binnen de geldigheidsduur van een bodemkwaliteitskaart. In gevallen dat dit niet aannemelijk is, kan de kaart van de actuele kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater niet dienen als basis van milieuhygiënische verklaringen voor de bodem of vrijkomende baggerspecie in het beheersgebied.

2. Bodemverwachtingenkaarten kunnen worden gebruikt om te voldoen aan de in artikel 47, onder a, van het besluit genoemde eisen ter onderbouwing van de lokale maximale waarden.

3. Bodemverwachtingenkaarten kunnen niet gebruikt worden als basis voor een milieuhygiënische verklaring van de toe te passen baggerspecie of van de bodem waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast.

3. Indelen beheersgebied in deelgebieden

1. Het beheersgebied wordt ingedeeld in deelgebieden die uniform zijn ten aanzien van de volgende kenmerken:

a.

bodemopbouw,

b.

gebruikshistorie,

c.

ontwikkeling wijken of gebieden,

d.

geomorfologie, en

e.

huidig bodemgebruik.

2. In aanvulling op het eerste lid, wordt bij het opstellen van een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater rekening gehouden met de volgende aspecten:

a.

(geo)morfologische ontwikkeling van de waterbodem onder invloed van sedimentatie vanuit het oppervlaktewater;

b.

veranderingen in de kwaliteit van het sediment dat in de loop van de tijd is afgezet;

c.

invloed van uitgevoerd baggerwerk (op de morfologische ontwikkeling);

d.

gebruik van het oppervlaktewater;

e.

ligging van lozingspunten en riooloverstorten, bekende locaties van morsingen vanaf schepen en calamiteiten;

f.

afspoeling vanaf aangrenzende percelen (bijvoorbeeld belendende boomgaardpercelen, stedelijk gebied); en

g.

invloed van de nabije omgeving: depositie vanuit de lucht (verkeer).

3. Indien in een gebied andere kenmerken dan genoemd in het eerste lid van invloed kunnen zijn op de actuele bodemkwaliteit, worden deze kenmerken ook betrokken bij de indeling van het beheersgebied in deelgebieden als bedoeld in het eerste lid.

4. Voorbewerken gegevens actuele bodemkwaliteit per deelgebied

1. Bodemkwaliteitsgegevens van locaties waarvan bekend is of verwacht wordt dat ze verontreinigd zijn door een puntbron, worden niet meegenomen bij het in beeld brengen van de actuele bodemkwaliteit.

2. Uitbijters worden buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van de actuele bodemkwaliteit. Van een uitbijter is sprake als de hoge of lage meetwaarde kan worden toegeschreven aan een fout in het onderzoek of een administratieve fout.

3. De meetwaarden onder de bepalingsgrens worden opgenomen als de waarde van de bepalingsgrens vermenigvuldigd met een factor 0,7.

4. De monsterdiepte moet liggen binnen het dieptetraject waarvoor de bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld.

5. Indien de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld bij een besluit als bedoeld in artikel 45 van het besluit, kan het bevoegd gezag gemotiveerd een kleinere dikte van de toplaag vastleggen.

6. Indien naast de toplaag, ook een bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld voor diepere bodemlagen, wordt voor de toplaag en de diepere laag/lagen ieder een aparte kaart opgesteld. De differentiatie in bodemlagen onder de toplaag moet plaatsvinden op basis van de lokale bodemopbouw.

7. Gegevens zijn voldoende recent indien de gegevens niet ouder zijn dan 5 jaar. Indien de gegevens ouder zijn dan 5 jaar wordt getoetst (bijvoorbeeld via de vergelijking met recentere gegevens) of de gegevens nog actueel zijn.

8. De ruimtelijke coördinaten van de monsterpunten waarvan de bodemkwaliteitsgegevens afkomstig zijn, zijn bekend.

9. Alle bewerkingen aan het bestand met gegevens over de actuele bodemkwaliteit dienen te worden gedocumenteerd, zodat te allen tijde de totstandkoming van de bodemkwaliteitskaart is te reproduceren.

5. Vaststellen bodemkwaliteitzones

1. Voor de bodem en de bodem onder oppervlaktewater kan een deelgebied als bodemkwaliteitszone worden vastgesteld indien per onderscheiden bodemlaag voldaan wordt aan de volgende eisen:

a.

er zijn voor alle stoffen ten minste 20 waarnemingen beschikbaar;

b.

in afwijking van de eis onder a, geldt voor de bodem onder oppervlaktewater dat indien het oppervlak van de zone zo klein is dat er volgens de reguliere meetprotocollen, zoals genoemd in artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de regeling, met minder dan 20 waarnemingen een milieuhygiënische verklaring kan worden verkregen, kan worden volstaan met de bij dat protocol horende meetinspanning;

c.

de waarnemingen liggen ruimtelijk voldoende verspreid over het deelgebied:

1°.

Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken van gelijke oppervlakte in tenminste 10 vakken een of meer waarnemingen zijn gedaan.

2°.

Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied ten minste 3 waarnemingen beschikbaar zijn; en

d.

voor alle stoffen geldt dat er geen ruimtelijke structuur aanwezig is in de gehalten of de variabiliteit die het opsplitsen van de zone zouden rechtvaardigen.

2. Indien niet aan de eisen in het eerste lid wordt voldaan, worden aanvullende meetgegevens verzameld en/of worden deelgebieden opgedeeld. Ingeval het standaardpakket uit de NEN 5740 wordt aangepast en daarbij stoffen worden toegevoegd dan geldt het volgende. Gerekend vanaf de datum van ingang van de wijziging van de NEN5740 waarin het standaardpakket is aangepast behoeft gedurende een periode van drie jaar voor de stoffen die zijn toegevoegd aan het standaardpakket niet te worden voldaan aan het minimumcriterium van 20 waarnemingen. Voor deze aanvullende stoffen wordt zolang niet wordt voldaan aan het minimumcriterium van 20 waarnemingen stap 7 (karakteriseren van de bodemkwaliteit per te onderscheiden zone) overgeslagen. In stap 8 (resultaten weergeven in bodemkwaliteitskaart) worden deze stoffen zolang niet wordt voldaan aan het minimumcriterium niet opgenomen in de ontgravingskaart. In stap 8 wordt voor deze stoffen in de toepassingskaart de generieke toepassingsies gehanteerd zoals die geldt voor de functie die de bodem heeft.

3. De eisen in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bodemverwachtingenkaarten.

6. Aanvullend bodemonderzoek

1. Indien aanvullend bodemonderzoek wordt uitgevoerd om te komen tot voldoende gegevens, gelden hiervoor de volgende eisen:

a.

de monsternemingsplaatsen worden gestratificeerd aselect over het deelgebied verdeeld, waardoor een (min of meer) gelijkmatige verdeling van de monsternemingsplaatsen over het deelgebied wordt verkregen. Er wordt daarbij rekening gehouden met de plaatsen waar al monsters zijn genomen,

b.

De monsters worden genomen volgens de eisen daartoe in de reguliere meetprotocollen, zoals genoemd in artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de regeling.

c.

de monsters worden ten minste onderzocht op de stoffen als bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, van de regeling.

d.

in afwijking van de eis onder c, is voor aanvullend onderzoek van de bodem van rijkswateren artikel 4.5.1, tweede lid, van de regeling van toepassing. Zodra een stoffenpakket voor de rijkswateren is vastgesteld, worden tenminste de stoffen van het stoffenpakket voor de rijkswateren opgenomen in het aanvullend onderzoek voor kaarten van de actuele kwaliteit van de bodem van rijkswateren.

e.

het veldwerk wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die op grond van het besluit daartoe is erkend, en

f.

de analyses worden uitgevoerd door een persoon of instelling die op grond van het besluit daartoe is erkend.

7. Beschrijven actuele bodemkwaliteit

1. Voor alle onderscheiden bodemkwaliteitszones wordt per bodemlaag de actuele kwaliteit van de bodem beschreven aan de hand van:

a.

de gemiddelde gehalten van alle in beeld gebrachte stoffen;

b.

de P95 en desgewenst andere percentielwaarden, zoals bijvoorbeeld de P80 en de P90.

c.

de gemiddelde fracties lutum en organisch stof.



 
 

agentschap.nl

 

SIKB nieuws


 
 
Pagina gegenereerd in 0.56 seconden.