Doorworteling/ondergraving
| – |
begroeiing die isolerende voorziening aantast |
| – |
activiteiten van dieren die holen graven |
Talud
– helling dusdanig dat onderhoud en inspectie mogelijk zijn
Wegmeubilair
| – |
voldoende gronddekking (1,5 m) om de afdichting niet te beschadigen bij het:
|
||||
| – |
minimaliseer doorvoeringen |
Stabiliteit
| – |
taludhellingen afstemmen op schuifweerstand van aan te brengen lagen |
| – |
mechanische en chemische erosie van de materialen onderling |
Verharding als isolerende laag
– dicht oppervlak zonder scheuren, ook na eventuele zettingen
Vorstschade
– voorkomen door voldoende gronddekking (die ook bij Wegmeubilair is vermeld)
Duurzaamheid isolerende voorzieningen
| – |
aantasting van de kwaliteit van de toegepaste materialen, bij AVI-bodemas altijd een barrière aanbrengen. |
| – |
isolerende voorziening bestand tegen gladheidsbestrijding (strooizout) |
| – |
wijze van aanleg (scherpe hoeken, plooivorming) |
| – |
gevoeligheid voor bodemvormende processen en nat-droog-cycli |
| – |
aantasting bij calamiteiten |
Zettingsverschillen
– zettingsverschillen door inhomogene ondergronden, besteed speciaal aandacht aan gedempte sloten en geulen.
Bodemsituatie
| – |
hoogte van het maaiveld |
| – |
bodemprofiel |
| – |
grondwaterstanden |
| – |
grondwaterstroming (actueel en na aanleg werk) |
| – |
loop beken, sloten, oude funderingen |
| – |
vroegere activiteiten, gebruik |
Wijze van aanbrengen
– schade door materieel
Werking drainagesysteem
Zijdelings uittredend water
Scheurvorming
Verdrogingen
Zettingsverschillen in taluds
Afschuiving van taluds
Activiteiten van dieren
– aanwezigheid van holen (van konijnen e.d.)
Vegetatie
| – |
vegetatie die duidt op waterophoping (riet) |
| – |
vegetatie die in slechte staat verkeert (door gasvorming in ophoging) |
| – |
vegetatie die te diep wortelt |
Opbarstingen
Geur