Architecten en Milieu-adviseurs
datebrief
 

Besluit Bodemkwaliteit - hoofdstuk 4. grond en baggerspecie - afd. 1 par. 2

  • Aangemaakt door admin op 12 Okt 2011
  • Laatst aangepast door admin op 22 Okt 2011

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN


Paragraaf 2. Algemene voorschriften voor degene die grond of baggerspecie toepast


Artikel 38

  1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen laat overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie vaststellen, met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63.
  2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie en het gestelde in het eerste lid blijkt uit een milieuhygiënische verklaring, die bij de betreffende partij aanwezig is.
  3. Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald onder welke voorwaarden de milieuhygiënische verklaring, bedoeld in het tweede lid, mag worden afgegeven.
  4. De toe te passen grond of baggerspecie kan worden ingedeeld in de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen kwaliteitsklassen.
  5. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het samenvoegen en splitsen van partijen grond of baggerspecie.
  6. Het eerste tot en met het vijfde lid geldt niet voor:
    1. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf; en
    2. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast.

Artikel 39

Op het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijdt, zijn artikel 40 en afdeling 2 van dit hoofdstuk niet van toepassing.

Artikel 40

  1. Het vaststellen van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, geschiedt overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning krachtens artikel 9, eerste lid.
  2. De kwaliteit van de bodem en het gestelde in het eerste lid, blijkt uit een milieuhygiënische verklaring.

Artikel 41

Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald welke van de in bijlage 1 van dit besluit genoemde parameters voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden gemeten ten behoeve van:

  1. de vaststelling van de kwaliteit van grond of baggerspecie, met inbegrip van de emissiewaarden voor toepassingen voor zover vereist op grond van artikel 63, en
  2. de vaststelling van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin grond of baggerspecie wordt toegepast.

Artikel 42

  1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met i, met uitzondering van onderdeel f, meldt dat voornemen ten minste vijf werkdagen van tevoren aan Onze Minister.
  2. Bij de melding van een toepassing als bedoeld in artikel 35, onder a tot en met e en g, worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
    1. de naam en het adres van degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen;
    2. het toetsingskader waarbinnen de toepassing wordt uitgevoerd;
    3. de milieuhygiënische verklaring van de toe te passen grond of baggerspecie;
    4. de plaats van herkomst van de toe te passen grond of baggerspecie;
    5. de hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie;
    6. de toepassingslocatie;
    7. voor zover het een toepassing betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de bodemkwaliteitsklasse;
    8. voor zover het een toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de bodemfunctieklasse.
  3. Op de melding van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, is het tweede lid, onder a, c tot en met f, van overeenkomstige toepassing en op meldingen van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h, het tweede lid, onder g. Bij meldingen van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, wordt ook de voorziene duur van de toepassing vermeld.
  4. Indien de voorziene duur van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, langer is dan zes maanden, wordt de eindbestemming van de grond of baggerspecie binnen die termijn gemeld.
  5. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde gegevens.
  6. De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier waarvan het model bij regeling van Onze Ministers wordt aangewezen. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.
  7. Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch door aan het bevoegd gezag.
  8. Het eerste lid geldt niet voor:
    1. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;
    2. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast;
    3. degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een omvang van minder dan 50 m3 toe te passen.
  9. degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een omvang van ten minste 50 m3 toe te passen, meldt in afwijking van het tweede en derde lid eenmalig de gegevens, genoemd in het tweede lid, onder a en f.
  10. achtste lid, onder c, en het negende lid zijn niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.
  11. De volgende toepassers van grond of baggerspecie bewaren de in het tweede, onder a, c tot en met f, genoemde gegevens gedurende ten minste vijf jaren:
    1. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 39, uitgezonderd degene, bedoeld in het achtste lid, onder a en b;
    2. degene die baggerspecie verspreidt uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen.

Artikel 43

  1. Voor het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder g, kan de beheerder met betrekking tot de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer verspreidingsvakken aanwijzen en vaststellen hoeveel baggerspecie er maximaal kan worden verspreid.
  2. Het is verboden om baggerspecie toe te passen buiten een krachtens het vorige lid aangewezen verspreidingsvak en boven de daarbij aangegeven maximale hoeveelheid.


 
 

agentschap.nl

 

SIKB nieuws


 
 
Pagina gegenereerd in 0.54 seconden.