In de periode 1992-2001 is het aandeel door electriciteitscentrales opgewekte energie teruggelopen van 73% naar 56%, de import nam toe van 10% naar 15%, duurzame energie maakte in 2001 2% uit van de totale energie waar dat in 1992 nog 1% was en de toepassing van WKK groeide van 16% naar 27% in deze periode.
De verdere ontwikkeling en toepassing van decentrale opwekking hangt af van drie krachten stelt ECN-onderzoeker Scheepers. Als eerste is daar de liberalisering, waarmee het voor meer marktpartijen mogelijk wordt energie op te wekken. Echter verzekerd de huidige regeling nog in onvoldoende mate dat decentrale opwekking, al dan niet duurzaam, effectief in de geliberaliseerde markt kan opereren.
Een tweede drijvende kracht die de evolutie van decentrale opwekking beinvloed is de technologische ontwikkeling. De oude argumenten voor centrale opwekking zijn sinds de jaren 70 dat de aanvoerkosten van brandstof dan lager zijn en dat overcapaciteit vermeden kan worden. Maar door het toepassen van zon- en windenergie spelen aanvoerkosten geen rol. Ook het energiebesparende effect van op warmtebehoefte gedimensioneerde industrieele WKK-eenheden ondergraaft het oude efficiencyargument. Decentrale opwekking, bijvoorbeeld brandstofcellen, PV-cellen en windenergie ontwikkeld zich gestaag verder. Echter doordat nog veel research nodig is, wat geld kost, en doordat er bijvoorbeeld aanvullende kosten zijn zoals transformatoren om de opwekkers op het net aan te sluiten, beperken veel energiebedrijven zich tot enkele varianten waarvoor zij mogelijkheden zien. Nuon wil verder met zon, Delta met wind, terwijl Essent zich concentreert op afvalverwerking en decentrale waterkracht.
De derde kracht die de decentrale opwekking beinvloed is de milieuproblematiek. De meeste vormen lijken prima te passen in de Kyoto-doelstellingen door hun lage CO2-emissies. Wind en zon doen dit het duidelijkst, maar ook wrmtekracht en op langere termijn brandstofcellen beperken de uitstoot van CO2.
Deze drie krachten bepalen de toekomst van decentrale opwekking in Europa. Daarbij is het echter wel noodzakelijk dat deze vorm van energie-opwekking een volwassen marktpositie kan verwerven en niet blijft hangen in de subsidieafhankelijke toestand. In Europees verband moet gestreeft worden naar een betere afstemming op het gebied van prijzen en compensaties, netwerktoegang, toegang tot de commoditymarkt en balancering.
Met ondersteuning van de Europese unie is hiervoor het Sustelnet-project opgezet (www.sustelnet.net). Dit project richt zich op het verkennen van de toekomstmogelijkheden en de te verwachten obstakels voor de ontwikkeling en verdere toepassing van decentrale opwekking in Europa.
Door Shell is een signaal afgegeven door sluiting van de zonnepanelenfabriek in Helmond. De ticht van de markt stond niet langer toe dat deze fabriek op deze dure plek open bleef. Daarom moeten de overheden sturing geven aan de technologische ontwikkeling.
Zonnepanelenfabrikant Free Energy Europe uit Eindhoven roept om meer duidelijkheid en openheid bij de usbsidieering bij de duurzame decentrale opwekking. Doordat in Nederland de zonne-energiewereld lang beperkt is gebleven tot een zeer select klein clubje van Shell, NOVEM, Ecofys en de energiebedrijven is een grote groep potentieele promoters uit de bouwwereld buiten spel gebleven. Er is behoefte aan een generieke subsidieregeling waarmee ook niet-conventionele actoren betrokken kunnen worden bij de energiesector. Het lijkt erop dat de Nederlandse overheid alleen korte termijn beleid voert en alleen geintresseerd is in de CO2-emissiebeperking in het buitenland. Dit heeft erteo geleid dat Free Energy Europe haar activiteiten op de Nederlandse markt heeft beperkt.