Artikel 4
Dit artikel regelt de handhaving van de bij of krachtens dit besluit geldende verplichtingen voor de verschillende toepassingsvormen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Hierbij wordt aangesloten bij de bevoegdheden van de verschillende bestuursorganen, zoals die in de artikelen 2 en 3 zijn vastgelegd.
Voor een toelichting met betrekking tot de verschillende toepassingsvormen wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen van hoofdstuk 3 en 4.
De Minister van VROM heeft op basis van het eerste lid de taak om de handhaving in de keten en bij de toepassing zodanig te organiseren en te faciliteren dat deze doelmatig en effectief kan verlopen.Uiteraard vindt er eerst afstemming plaats met de bestuursorganen die krachtens het tweede en derde lid een rol spelen bij de handhaving.
Voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater wordt vooralsnog vastgehouden aan de bestaande organisatie van de handhavingwaarbij de hoofdregel is dat de dagelijkse besturen van de waterschappen deze rol vervullen ten aanzien van regionale oppervlaktewateren en de minister van Verkeer en Waterstaat (regionale diensten rijkswaterstaat) ten aanzien van de (veelal) grotere zogenoemde rijkswateren. Dit vloeit voort uit artikel 1 van de Wvo, dat uitgaat van een breed normadressaat, alsmede artikel 3 van de Wvo, dat ten grondslag ligt aan de verdeling van de bevoegdheden tussen waterschappen en het Rijkswaterstaat.Op grond van de artikelen 1 en 29 Wvokan
in beginsel zowel ten aanzien van de aannemer, als de opdrachtgever door de waterkwaliteitsbeheerder tot handhaving over worden gegaan. Het doorvoeren van de voor de landbodem in het kader van de ketenhandhaving gekozen knip, zou een fundamentele wijziging van de Wvo met zich meebrengen die vooralsnog niet opportuun wordt geacht. Bij een dergelijke wijziging, die mede in het licht van de Waterwet moet worden bezien, doet zich onder meer de vraag voor of deze wijziging zich tot de werking van dit besluit zou moeten beperken. . Op basis van de ervaringen die de komende twee jaar worden opgedaan met het besluit en in afstemming met de regionale waterkwaliteitsbeheerders zal worden bezien of alsnog moet worden aangesloten bij de voor de landbodem gekozen organisatie van de handhaving.
In het tweede lid is bepaald dat ingeval van meerdere bevoegde gezagsinstanties voor één toepassing, bijvoorbeeld bij grote werken die gemeentegrensoverschrijdend zijn, één bevoegd gezag wordt aangewezen. Hieruit vloeit niet noodzakelijk een aanwijzing van de minister uit voort. Voor het geval waarin het laatste zich voordoet, is in het eerste lid een uitzondering opgenomen. Het gecoördineerde toezicht kan vorm krijgen doordat het aangewezen bevoegd gezag dienst doet als loket voor degene die de bouwstof, grond of baggerspecie toepast of een overlegstructuur organiseert om een eenduidige aanpak van het toezicht van de betrokken gemeenten te bewerkstelligen.
De bepalingen in het eerste en tweede lid zijn mede ingegeven door het systeem dat in artikel 18.3 van de Wet milieubeheer is neergelegd en dat mede herkenbaar is in artikel 5.3 van het ontwerp van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Op basis van het derde lid handhaven burgemeester en wethouders de verplichtingen met betrekking tot het toepassen op de landbodem, de plicht om een milieuhygiënische verklaring te verstrekken met het oog op het toepassen van bouwstoffen en de meldingsplicht. Burgemeester en wethouders zijn op grond van dit artikel niet bevoegd om de verplichtingen met betrekking tot toepassing in oppervlaktewater te
handhaven.
Voor wat betreft het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de landbodem zal de VROM-inspectie de handhavingstaak die in het vierde lid aan Onze Minister is toegekend uitoefenen ten aanzien van degene die in opdracht bouwstoffen toepast. Hierbij dient met name te worden gedacht aan (onder)aannemers. Deze taak is gelegd bij de landelijke inspectie en niet bij individuele gemeenten, omdat aannemers veelal landelijk opereren (zie ook paragraaf 5.2.1 en verder). Anders dan voor bouwstoffen zijn voor grond of baggerspecie in hoofdstuk 4 van het besluit geen voorschriften opgenomen voor de keten tot het toepassen, zijnde de productie tot en met het transport van grond of baggerspecie.
In belangrijke mate wordt dit deel van de keten gereguleerd in hoofdstuk 2 van het besluit en hebben de minister van VROM en de minister van Verkeer en Waterstaat daarvoor een handhavingstaak. Het vijfde lid voorkomt dat elke schakel in de keten zich genoodzaakt ziet om te voldoen aan de in dat lid genoemde verplichtingen. Deze bepaling beoogt de administratieve lasten, zowel aan de kant van de uitvoering als aan de kant van de handhaving, te beperken.