Momenteel zijn er twee mogelijkheden waarop een vergunning of een deel van de vergunning kan vervallen of kan worden ingetrokken. Het gaat hierbij om het gebruik van artikel 8.18 of artikel 8.25 van de Wet milieubeheer.
<P class=MsoNormal >
Indien een inrichting in het geheel niet in werking is en/of niet is gerealiseerd, binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning in het kader van de Wet milieubeheer, dan vervalt die vergunning van rechtswege. Het van rechtswege vervallen staat beschreven in Wm art. 8.18. <?xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" /><o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
artikel 8.18<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
1. de vergunning voor een inrichting vervalt<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
a.indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht;<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
b. indien de inrichting een stortplaats is, als bedoeld in artikel 8.47 indien de stortplaats krachtens het derde lid van genoemd artikel gesloten is verklaard.<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
2. indien kan worden verwacht dat in de inrichting niet binnen de in het eerste lid , onder a bedoelde termijn kan worden voltooid, kan in de vergunning een andere termijn worden vastgesteld, die daarvoor in de plaats treedt.<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
Artikel 8.25 heeft betrekking op het actief intrekken van de bestaande in het kader van de Wet milieubeheer. Het actief intrekken van de vergunning kan worden uitgevoerd door het bevoegd gezag (niet per definitie de instantie die de vergunning heeft verleent). In artikel 8.25 staat aangegeven wanneer dit kan worden gedaan. <o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal ><SPAN class=titel1>
Artikel 8.25
1. Het bevoegd gezag kan – onverminderd het in de artikelen 8.34, 8.38, 8.39 en 18.12 bepaalde – een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien:
a. de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt;
b. dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen noodzakelijk is;
c. gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
d. de inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest;
e. in gevallen als aangewezen krachtens artikel 8.20, tweede lid: de vergunninghouder niet meer degene is, die de inrichting drijft.
2. Het bevoegd gezag trekt de vergunning in, voor zover regels, vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, hiertoe verplichten.
3. Een ieder, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning met toepassing van het eerste lid in te trekken.
4. Met betrekking tot een beslissing als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 8.7, 8.8 en 8.9 van overeenkomstige toepassing.
5. In een geval als aangegeven krachtens artikel 8.15 kan een voorschrift overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur aan de beschikking tot intrekking worden verbonden. Artikel 8.15, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. In de beschikking tot intrekking kan worden bepaald dat een voorschrift als bedoeld in het vijfde lid, dan wel daarbij aangewezen aan de vergunning verbonden voorschriften gedurende een daarbij aan te geven termijn blijven gelden.
7. Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking krachtens het eerste lid, onder a of b, is paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
8. Het bevoegd gezag gaat tot intrekking van een vergunning op grond van het eerste lid, onder c, d, of e’ of het tweede lid niet over zonder de vergunninghouder in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een termijn van ten minste twee weken schriftelijk of mondeling bedenkingen tegen de intrekking kenbaar te maken. Van de beschikking wordt mededeling gedaan door toezending daarvan aan de adviseurs.<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
Het verschil tussen artikel 8.18 en artikel 8.25 ligt hem in het feit dat bij het gebruik van artikel 8.25 actief een vergunning (en dus een Besluit), wordt ingetrokken door een hiertoe bevoegd gezag. Dit heeft tot gevolg dat hierbij de Algemene Wet Bestuursrecht dient te worden gevolgd en er dus sprake is van een aantal procedures die gevolgd dienen te worden, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid van inspraak en het aantekenen van bezwaar. Bij het gebruik van artikel 8.18 is dit echter niet mogelijk. Hier gaat het dan ook om het van rechtswegen vervallen van een vergunning. de Algemene Wet Bestuursrecht is dan niet van toepassing.<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
Jurisprudentie wijst uit dat het tevens mogelijk is dat delen van de inrichting komen te vervallen in het kader van artikel 8.18. het gaat hierbij om een uitspraak van de Raad Van State.<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal ><SPAN lang=EN-GB >ABRvS 5 juli 1996, nr.E03.94.0975; MR 1996, 46; NABM 1996, 84<SPAN lang=EN-GB ><o:p></o:p><P class=MsoNormal ><SPAN lang=EN-GB > <o:p></o:p><P class=MsoNormal >
Aangezien de in (...) artikel 8.18, eerste lid, van de Wm genoemde termijn<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
van drie jaar sinds het onherroepelijk worden van genoemde vergunning was<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
verstreken, moet worden geconcludeerd dat deze vergunning, voor zover het<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
de niet gerealiseerde stal en de daarin te houden dieren betreft, is komen te<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
vervallen. De omstandigheid dat deze dieren elders in de inrichting zouden<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
zijn gehouden, kan de Afdeling niet tot een ander oordeel leiden,aangezien<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
dit niet wegneemt dat de vergunning gedeeltelijk is vervallen.<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
Uit:Jurisprudentie 2.2.8.18. Koninklijke Vermande, Wet milieubeheer<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
(M41)/Aanv.70, 5-'99.<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
Dat het een agrarisch bedrijf betreft is niet belangrijk. In de opmerking gaat het erom dat de activiteit wel in de inrichting heeft plaatsgevonden, maar in een ander gedeelte dan was vergund. Dit heeft tot gevolg dat bovenstaande van kracht is voor alle inrichtingen in het kader van de Wet Milieubeheer. hieruit valt af te leiden dat het tevens mogelijk is dat niet alleen delen uit de vergunde situatie vervallen maar dat het dus ook mogelijk is dat delen van het voorschriften pakket komen te vervallen op het moment dat er een deel van de vergunning van rechtswege vervallen is.<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal >
<o:p></o:p><P class=MsoNormal > <o:p></o:p>Notitie:
Frans