Termijn
De termijn voor het indienen van bedenkingen is vier weken en begint op de dag nadat het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Bij wijziging en intrekking van de vergunning of de voorschriften is paragraaf 3.5.6 Awb van toepassing; de daarin gestelde termijn is slechts twee weken.
Deze termijnen kunnen niet worden verlengd, ook niet via de omweg van pro-formabedenkingen (waarover verderop in dit artikel meer). Ook het verkorten van de termijn is niet mogelijk (ABRvS, 28 december 2001, 199901832/1, AB 2002, 212).
Niet-verschoonbare overschrijding van de termijn leidt tot niet-ontvankelijkheid van de indiener.
Mondelinge bedenkingen
Mondelinge bedenkingen kunnen worden ingediend tijdens een hoorzitting. Bij mondelinge bedenkingen moet de indiener erop letten dat de bedenkingen in het verslag komen. In een verslag van een hoorzitting stond bijvoorbeeld Ter zitting werden geen mondelinge bedenkingen ingediend. Pas ruim twee maanden na de hoorzitting kwamen de appellanten met de mededeling dat de gemaakte opmerkingen moesten worden gezien als bedenkingen. Dat was te laat; ze hadden onmiddellijk schriftelijk moeten reageren (Vz ABRvS 3 juli 2000, 199903531/1 en /2, Kort Geding 2000, 194).
Dat de Afdeling wel wat ruimte biedt, blijkt uit de volgende overweging: een appellant was aanwezig geweest bij de mondelinge gedachtenwisseling en heeft, ook al staat dit niet in het verslag, de door anderen ingebrachte bedenkingen ondersteund. Hij werd door de Afdeling ontvankelijk verklaard (ABRvS, 12 oktober 95, E03.94.1925, M en R 1996, 32).
Bedenkingen per post
Wie schriftelijke bedenkingen per post indient, moet ze tijdig opsturen. Hiervoor geldt de verzendtheorie: bedenkingen moeten binnen de termijn zijn verzonden en uiterlijk een week na afloop van de termijn zijn ontvangen (analoge toepassing van 6:9 lid 2 Awb).
Het kan handig zijn om de envelop te bewaren: in een geval waarin de gemeente niet meer over de envelop beschikte, ging de Afdeling ervan uit dat de bedenkingen op tijd waren ingebracht (ABRvS, 3 april 98, E03.97.0785). Is de envelop er nog wel, en staat er geen datumstempel op, maar PORT BETAALD, dan heeft de indiener volgens de Afdeling het risico genomen dat niet kan worden vastgesteld wanneer de brief op de post is gedaan. Ook een uittreksel van het postregistratiesysteem leverde geen bewijs dat dit tijdig is gebeurd. Het gevolg was dat de bedenkingen niet-ontvankelijk werden verklaard (ABRvS, 22-2-00, H01.99.0601, AB kort 2000, 242l; het ging hier overigens om een bezwaarschrift).
Bedenkingen per fax
Bedenkingen kunnen ook gefaxt worden. Hierbij geldt dat het begin van de fax binnen moet zijn gekomen voor twaalf uur s avonds op de laatste dag van de termijn. Als het ontvangende faxapparaat de dag en het tijdstip van ontvangst niet registreert, is het faxbericht op tijd als dat op de dag na de laatste dag van de termijn bij het openen van het kantoor wordt aangetroffen (ABRvS, 17-4-98, E03.96.1161, Nieuwsbrief STAB 98-K17). Volgens de Afdeling moet je er in beginsel van uitgaan dat de fax bij de gemeente is binnengekomen op de datum en het tijdstip die door het ontvangende apparaat op het faxbericht worden vermeld. Het is slechts mogelijk een uitzondering op dit beginsel te maken als indieners aannemelijk kunnen maken dat de fax eerder is binnengekomen. In casu was dat gedaan door een elektronische gespecificeerde gespreksregistratie van KPN te overleggen.
In een ander geval was om 23.59 uur gefaxt, maar de fax was binnengekomen om 00.01 uur (ABRvS, 16-5-00, E03.98.0924, ABkort 2000, 378). Het beroep werd in dit geval niet ontvankelijk verklaard.
Bedenkingen persoonlijk afleveren
Men kan bedenkingen ook persoonlijk afleveren. Het is voor een appellant nuttig om daarvan een bewijs te hebben. Zo had een indiener een bezwaarschrift persoonlijk afgeleverd aan de portier, maar de gemeente stelde vast dat een ontvangstbewijs of stempel ontbrak (ABRvS, 6-2-00, 199901362/1, niet gepubliceerd).
In beginsel geldt dat een bedenking is binnengekomen op de datum die staat op het ontvangstbewijs, tenzij de aanbieder aannemelijk maakt dat de bedenking eerder is binnengekomen. Een appellant stelde dat hij de bedenkingen voor afloop van de termijn aan een baliemedewerker van het gemeentehuis had overhandigd. Het stempel van ontvangst gaf echter aan dat de bedenkingen waren ingediend na afloop van de termijn.
De Afdeling oordeelde dat 6:9 lid 2 Awb in zon geval niet (zoals bij verzending per post) analoog mag worden toegepast; als datum van binnenkomst geldt dus de datum van het stempel dat bij binnenkomst op het geschrift is geplaatst. De appellant werd daarom niet-ontvankelijk verklaard (ABRvS, 24-12-98, E03.96.1189 (niet gepubliceerd).
Verschoonbaar
Onder omstandigheden kan het niet of niet tijdig indienen van bedenkingen verschoonbaar zijn, bijvoorbeeld als niet is voldaan aan de eisen voor kennisgeving of aanplakking van de ontwerpvergunning, zoals geregeld in paragraaf 3.5.3 Awb en artikel 13.4 Wm.
Zo achtte de Afdeling het verschoonbaar dat bedenkingen niet tijdig waren ingediend, omdat de kennisgeving was gepubliceerd in een huis-aan-huisblad dat niet bij de betreffende persoon werd bezorgd (ABRvS, 31 juli 2002, 200105839/1). Het niet ontvangen van een huis-aan-huisblad vanwege een nee-nee-sticker op de brievenbus daarentegen is voor eigen risico (ABRvS, 3-10-00, E03.98.0411).
Wijzigingen in het ontwerpbesluit kunnen onder omstandigheden ook leiden tot verschoonbaarheid, maar gezien de jurisprudentie is dit eerder uitzondering dan regel. Zo werd in een procedure een ontwerp tot twee keer toe gewijzigd. Na de eerste wijziging werd een nieuw besluit ter inzage gelegd, maar het definitieve besluit week ook daar weer vanaf. De Afdeling oordeelde dat de partij die alleen tegen het tweede ontwerp bedenkingen had ingediend én de partij die helemaal geen bedenkingen had ingediend beide ontvankelijk waren (ABRvS 28 mei 1999, AB 2000, 75).
Soms kan de afhandeling van mondelinge bedenkingen buiten de termijn toch leiden tot ontvankelijkheid, namelijk als het bestuursorgaan pas na afloop van de termijn de mogelijkheid geeft voor mondelinge gedachtewisseling (ABRvS, 21-1-99, E03.96.0569, JM 1998, 7). Dit verandert als het verzoek tot het indienen van mondelinge bedenkingen te laat is gedaan (ABRvS, 19 april 1999, M en R 1999, 85, m.nt. Freriks).
Pro-formabedenkingen
Het indienen van pro-formabedenkingen, waarbij de motivatie na het verlopen van de termijn wordt aangevuld, is niet toegestaan. Alleen meedelen dat je bedenkingen hebt is dus onvoldoende. Volgens de Afdeling moet de indiener minimaal beknopt weergeven waarom hij of zij zich niet met het ontwerpbesluit kan verenigen (ABRvS, 3 april 2002, 200105169/1). Daarnaast moet een bedenking concreet genoeg zijn: de formulering onevenredige milieuaantasting vanwege de inrichting bijvoorbeeld wordt als onvoldoende concreet gezien (VzABRvS, 2-11-00, 200002793/1, Nieuwsbrief StAB 01-K94, M en R 01-3K).
Bedenking en beroep
Een aantal uitzonderingen daargelaten kan alleen degene die bedenkingen heeft ingediend in beroep gaan (art. 20.6 Wm). Het beroep moet zijn grondslag vinden in de bedenkingen en die moeten bovendien voldoende concreet zijn weergegeven.
De bedenking dat het verlenen van een vergunning zou leiden tot meer overlast van een boerenbedrijf en verslechtering van de woonomstandigheden bijvoorbeeld is volgens de Afdeling te algemeen van karakter en kan daarom niet dienen als grondslag voor beroep (ABRvS, 27 augustus 1998, AB 1999, 61, m.nt. JV). Ook alleen verwijzen naar wat eerder als bedenking is ingediend volstaat niet. Degene die in beroep gaat moet aangeven waarom de weerlegging van het bevoegd gezag onjuist is (ABRvS, 21-8-02, 200102966/1).
In de hierboven aangehaalde uitspraak van 27 augustus 1998 bepaalde de Afdeling verder dat er tijdens het beroep geen nieuwe argumenten naar voren kunnen worden gebracht. Een uitzondering hierop vormen gronden die ambtshalve door de Afdeling worden getoetst. Zo was de beroepsgrond dat ten onrechte geen MER was gemaakt niet in de bedenkingen aangevoerd, maar toch ontvankelijk (zie bijvoorbeeld ABRvS, 18 augustus 02, 200101842/2).